Lubbers is krediet bij de Indische gemeenschap kwijt

DEN HAAG, 14 AUG. De kans is aanwezig dat zich morgenmiddag een herhaling voordoet van de gebeurtenissen op 19 juli, toen demonstranten tijdens het bezoek van de Japanse premier, Kaifu, bij het Indisch monument in Den Haag een krans in het water gooiden die kort daarvoor door Kaifu was gelegd.

In de ogen van een groot deel van de Indische gemeenschap vraagt minister-president Lubbers om moeilijkheden als hij ondanks de vele bezwaren morgen in Den Haag namens de regering toch een krans legt bij het monument voor de slachtoffers van de Japanse overheersing in de Tweede Wereldoorlog. Het wordt Lubbers vooral kwalijk genomen dat hij aan de excuses van Kaifu en diens kranslegging de conclusie verbond dat de kwestie van de ereschulden als afgedaan kan worden beschouwd.

De kans dat de bijeenkomst uit de hand loopt is zeker aanwezig, aldus een oud-Indië-ganger. “Wij oud-militairen doen daar niet aan mee, maar er zullen altijd relschoppers zijn.” Voorzitters van enkele belangenorganisaties in de Indische gemeenschap hebben de afgelopen dagen ongetekende brieven en anonieme telefoontjes gekregen waarin acties worden aangekondigd die “verder gaan” dan Lubbers de rug toekeren tijdens de kranslegging. Maar vooralsnog houdt Lubbers vast aan zijn voornemen om net als in voorgaande jaren namens het kabinet een krans te leggen bij het Indisch monument.

In de dagen voorafgaand aan de kranslegging, die kort na het bezoek van premier Kaifu emotioneel zwaarder beladen is dan ooit tevoren, is er op tal van fronten overleg en worden over en weer brieven gestuurd. De steeds terugkerende trefwoorden daarbij zijn "kranslegging' en "ereschulden'; zondebok is premier Lubbers die zich met zijn optreden op 19 juli de woede op de hals heeft gehaald van een groot deel van de Indische gemeenschap. De gemoederen in de Indische gemeenschap zijn zo hoog opgelopen dat de weduwe van toenmalig legercommandant in Nederlands-Indië generaal Spoor Lubbers ontraden heeft de dodenherdenking bij het Indisch monument bij te wonen.

Lubbers heeft inmiddels geprobeerd de gemoederen wat te bedaren door zich bereid te verklaren een "open gesprek' aan te gaan met een brede delegatie van de Indische gemeenschap, wat hem betreft nog deze maand. Het zit de premier bijzonder dwars dat hij overhoop ligt met deze bevolkingsgroep, die zich vooral het afgelopen jaar sterk heeft gemaakt voor het indienen van schadeclaims bij de Japanse regering voor het in de Tweede Wereldoorlog onder de Japanners geleden leed. Naar eigen zeggen is Lubbers pijnlijk getroffen door “voortdurende suggesties over mijn opvattingen”. Hij is verkeerd begrepen: natuurlijk is de Japanse bezetting geen gesloten boek.

Het steekt Lubbers vooral omdat veel commotie het gevolg is van enkele misverstanden, zoals hij de afgelopen dagen herhaaldelijk heeft gezegd. Gisteren onderstreepte hij nog eens dat hij op de dag van Kaifu's bezoek niet heeft gezegd dat wat betreft de Japanse ereschulden de kous af is. Zijn uitspraken werden door de pers echter wel als zodanig geïnterpreteerd, waardoor een onjuiste boodschap de wereld inging. Verontwaardigde reacties bij ex-krijgsgevangenen en ex-burger-geïnterneerden waren het gevolg.

Desondanks blijven in de Indische gemeenschap geluiden hoorbaar dat hij de slachtoffers van de Japanse overheersing “in de kou heeft laten staan”. De tienduizenden oud-burger-geïnterneerden en oud-krijgsgevangenen hadden tijdens het bezoek van de Japanse premier juist gerekend op steun van Lubbers in hun streven naar schadevergoedingen van de Japanners. Die steun kwam er niet. In antwoord op vragen uit de Tweede Kamer wees Lubbers er vrijdag nog eens op dat hij het “niet wijs achtte en acht valse verwachtingen te wekken”. De verlangens van de Stichting Japanse Ereschulden zijn goed invoelbaar, aldus Lubbers, maar het is voor de regering geen begaanbare weg zich daar achter te stellen. Hij wees erop dat er door het Vredesverdrag van San Francisco (1951) en een overeenkomst uit 1956 tussen Japan en Nederland geen ruimte is voor het indienen van verdere eisen tot schadevergoeding bij de Japanse regering.

De Stichting Japanse Ereschulden stelt daar onder meer tegenover dat “een internationaal erkende rechtsnorm stipuleert dat de Staat onder wiens jurisdictie grove schendingen van mensenrechten zijn bedreven zonder meer en uit zichzelf tot rechtvaardige en adequate genoegdoening is gehouden”. Lubbers heeft een unieke kans laten liggen om de Japanners daar op te wijzen. In plaats daarvan toonde hij zich tevreden over de spijtbetuiging van Kaifu over de oorlogsmisdaden van de Japanners.

De houding van het kabinet kan er volgens de Stichting Japanse Ereschulden toe leiden dat de slachtoffers die via de Verenigde Naties een schadeclaim hebben ingediend, nul op het rekest krijgen. Er zal immers dankbaar worden verwezen, direct of indirect, naar de uitspraken die Lubbers c.q. de Nederlandse regering rond het bezoek van Kaifu over de ereschulden hebben gedaan. Volgens de stichting heeft het daarom ook geen zin meer dat minister Van den Broek op 29 augustus over de kwestie van de ereschulden overleg voert met de vaste Kamercommissies voor buitenlandse zaken en welzijn en cultuur. Een mogelijke bereidheid van Japan, nu of later, om de eisen van de Stichting Japanse Ereschulden in te willigen zijn door de verklaringen van Lubbers voorgoed geblokkeerd, vreest de stichting.

Een gesprek tussen Lubbers en de "brede delegatie van de Indische gemeenschap' zal de lucht voor sommigen enigszins doen opklaren, maar wat de Stichting Japanse Ereschulden betreft - die de belangen behartigt van ruim 75.000 slachtoffers van de Japanse bezetting en eerst excuses van Lubbers wil - is het kwaad al geschied. Een "open gesprek', hoe goed die verzoeningspoging ook is bedoeld, komt voor veel oud-Indië-gangers als mosterd na de maaltijd. Lubbers heeft zijn krediet bij hen al lang verspeeld.