"Hoop op die ene grote vangst houdt je op de been'

Al in de jaren vijftig en zestig beschikte Sparta onder leiding van de inmiddels "gepensioneerde' Hans Sonneveld over een verfijnd scouting-systeem waardoor de club zowel in sportief als financieel opzicht menigmaal het vege lijf heeft kunnen redden. Oud-voetballer Sonneveld recruteerde daarvoor een aantal teamgenoten - onder wie Koos Verbeek, dat zo succesvol opereerde dat veel clubs het Sparta-systeem hebben gekopïeerd. De honderden gegevens van de spelers bevinden zich bij Sonneveld nog in kaartenbakken. Wat dat betreft wordt er op Spangen een stukje nostalgie gekoesterd.

Koos Verbeek - vader van trainer Pim - herinnert zich dat chef-scout Hans Sonneveld als vertegenwoordiger veel langs de weg zat, alle plaatselijke kranten las, waardoor je op vrijdagavond zo maar een telefoontje kon krijgen of je de volgende dag ver buiten de regio Rotterdam even een speler wilde gaan bekijken. Op die manier haalde Sparta zelfs uit het noorden van Nederland doelman Jan van Beveren, een speler die jaren later voor veel geld aan PSV werd overgedaan. Met Jan Mulder liep het in Winschoten net mis. Het kapitaalkrachtige Anderlecht was iets eerder. Maar de activiteiten op scoutinggebied van oud-eerste elftal spelers van Sparta als Sonneveld, Van Male, Zuidgeest, Benningshof en Verbeek, dwongen bij de concurrentie diep respect af.

“Ik heb nooit een speler voor Sparta ontdekt, wij met z'n allen hebben spelers voor Sparta ontdekt”, zegt Koos Verbeek bescheiden. “Wat de capaciteiten van een speler betrof kreeg Sonneveld wel zes raporten op z'n bureau. Van allerlei mensen die waren gaan kijken. Ik was in mijn actieve jaren als voetballer een speler die het niet van z'n techniek moest hebben. Ik liep me in het eerste elftal van Sparta in een wedstrijd altijd te pletter. Als ik ging scouten hadden spelers die over die capaciteiten beschikten derhalve altijd een streepje voor bij mij. Lou Benningshof was een pure technicus. Hij lette op de technische kwaliteiten van een voetballer. Als Sonneveld de eindbeslissing nam, kreeg hij van een bepaalde speler via wel vijf-, zes rapporten altijd een goed eindbeeld. Want geen facet van zijn spel werd overgeslagen.”

Verbeek speelde van 1947 tot 1959 in het eerste elftal van Sparta. Hij werd daarna afgekeurd voor voetbal. Maar Spangen bleef trekken. “Het scouten van mij begon puur als liefhebberij omdat ik een warm kloppend Sparta-hart heb. Dat gold ook voor de anderen. Twaalf jaar geleden ben ik gestopt met scouten voor het betaalde voetbal. Ik doe nu de jeugdscouting en jeugdopleiding. Ook weer initiatieven van Sonneveld. Scouten was en is uit financiële overwegingen voor een club als Sparta bittere noodzaak. Veel spelers hebben in de loop der jaren voor deze club gekozen omdat ze sneller een kans in het eerste elftal kregen dan bij een topclub. Dat was een pré van ons ten opzichte van andere clubs. Wij hadden ze echt nodig voor het eerste team.”

Van Beveren, Valke, Ellerman, Blind, Fräser, Van der Gijp, Olde Riekerink en Van den Berg vormen de bekendste namen die Sparta via scouting op de kop getikt heeft. Vedetten bij Sparta als Rinus Terlouw en Tonnie van Ede schakelde Sonneveld niet in. Verbeek: “Die jongens kon je het niet aandoen anderhalf uur in de regen en kou te laten staan. Dat was meer voor de waterdragers in een elftal als ik.”

Waar lette Koos Verbeek in het bijzonder op als hij de spelers ging bekijken? “Op het karakter van de vent”, zegt hij zonder aarzelen. “Ik kijk wat hij in het veld waard is, of hij bij Sparta past. Sparta heeft het nooit van technische voetballers moeten hebben. Werken en de mouwen opstropen. Dat is het devies. Een speler die een kwartier een balletje hoog kan houden hebben we hier ook wel rondlopen. Maar het gaat om het rendement van een speler. We passen voor vedette-neigingen, kopen geen spelers met kapsones, want daar hebben wij geen elftal voor.”

De scouting van het betaalde voetbal is bij Sparta momenteel in handen van René de Hoon. Maar wie ook aan het hoofd staat, het beproefde concept is door de jaren heen hetzelfde gebleven. “De trainer heeft wat transferzaken betreft bij een club als Sparta daardoor weinig te vertellen”, meent Koos Verbeek. “Dat gaf ook problemen met Kessler. Hij trad op het terrein van de scouts en schakelde eerste elftalspelers in bij de scouting. Ik vroeg: "meneer Kessler, doen die het ook voor noppes zoals wij?' "Natuurlijk meneer Verbeek', antwoordde Kessler. Nou, vergeet dat maar natuurlijk. Een speler van mij vond Kessler niet goed genoeg. Tot ik een paar weken later met de opstelling van het Nederlands zaterdagelftal bij Kessler kwam. Daarin stond de speler die ik had aanbevolen. Anderzijds, geen kwaad woord over Kessler. Toen mijn Pim er bij Feyenoord werd uitgegooid was één van de eerste telefoontjes van Kessler. Die bood hem aan af en toe iets voor hem te doen. Zo is Kessler ook weer.”

Frustrerend vindt Verbeek het wel dat Sparta door de geringe financiële mogelijkheden wat betreft jeugdig talent altijd als een soort kweekvijver fungeert voor de kapitaalkrachtige clubs. Verbeek: “Soms denk ik wel eens: waar moet het heen. Als je hoort wat jeugdspelers kunnen verdienen bij sommige amateurclubs en als je ziet dat die jonge knapen tegenwoordig met zaakwaarnemers aan komen zetten die hun belangen moeten behartigen. Je moet er ook veel meer voor knokken dan vroeger. Al die verenigingen hebben geredeneerd: wat Sparta kan, dat kunnen wij ook. De concurrentie is veel groter geworden. Toch is onze manier van benaderen altijd dezelfde gebleven. Ze weten precies wat ze bij ons kunnen krijgen. We hebben voor spelers van buiten de regio voor vervoer gezorgd. Er zijn jongens die er anderhalf uur in de auto voor over hebben om te kunnen trainen. Dat gebeurt ook nog in deze tijd van het grote geld.”

Soms vraagt Verbeek zich wel eens af waarvoor hij het allemaal heeft gedaan? “Als je anderhalf uur langs de kant staat te sterven van de kou en je hebt nog niet eens een vent met een houten been gezien, dan is het allemaal wel erg ontmoedigend”, legt hij uit. “Maar de volgende week sta je er toch weer. Het is de hoop op die ene grote vangst, jouw inzicht van dat is een goede voetballer en dat niet, wat je op de been houdt. Ik trof datzelfde aan bij Fransje Bouwmeester en Wimpie Jansen. Mensen die ik bij dit werk regelmatig zag schuiven. Je bent weliswaar concurrenten van elkaar, maar er is toch een band. Ik herinner me dat Wim Jansen bij een wedstrijd eens tegen mij zei: "Koos, let eens op die vent. Die komt nooit bij Feyenoord, maar voor jou is het misschien een heel bruikbare speler.' Zo werkt het ook weer.”