Fiscus mist opgelegde kans

Het ministerie van financiën beschouwt het inschakelen van de banken bij het opsporen van belastingfraudeurs als een doorslaand succes. Deze maatregel heeft in 1988 voor een half miljard gulden aan belastinginkomsten gezorgd. Maar is die juichstemming wel op haar plaats?

Om de hele operatie succesvol te laten verlopen, werden sommige wetsontduikers financieel beter behandeld dan de wetsgetrouwe burgers. Zoals in een eerdere column beschreven, heeft de Hoge Raad als hoogste belastingrechter deze handelwijze goedgekeurd. Dat had toenmalig minister Ruding in 1987 tijdens de behandeling van deze zogenaamde rente-renseignering in de Tweede Kamer trouwens al voorspeld. De belastinginspecteurs waren het toen overigens volstrekt met dat lankmoedige beleid van de minister oneens. Zij wendden zich met een handtekeningenactie tot de Tweede Kamer. Daarbij verlangden zij van de Kamerleden dat iedere belastingfraudeur, groot of klein, zou worden aangepakt. Met dat standpunt kregen zij evenwel geen voet aan de grond, omdat de bewindsman overtuigend kon aantonen dat er naast de massale verwerking van de rente-opgaven die de banken aan de belastingdienst stuurden, geen tijd was voor het bewerkelijke najagen van de kleinere en middelgrote fraudeurs.

Indertijd heeft de vereniging van belastinginspecteurs, die de handtekeningenactie had georganiseerd, geen reactie willen geven op het Kamerbesluit. Inmiddels is het duidelijk dat sommige inspecteurs de ontduikers, die net niet kunnen profiteren van de soepele opstelling van Ruding, harder aanpakken dan wettelijk is toegestaan. Dit blijkt uit enkele uitspraken in belastingprocedures die het Haagse gerechtshof eerder deze maand aan de vakpers heeft gezonden.

In de betrokken gevallen was de inspecteur door de opgaven van de banken verzwegen rente-inkomsten op het spoor gekomen. Daarbij ging het om 1987, het jaar waarover de banken nog geen kans zagen al hun gegevens aan de fiscus door te geven. Die verplichting om de rentebedragen door te geven, werd trouwens pas in 1988 officieel. Daardoor was bij sommige banken zoals de Rabo-bank, het computersysteem nog niet afgestemd op het verstrekken van opgaven over 1987.

Overigens verliep ook bij de belastingdienst zelf in het begin nog niet alles vlekkeloos. Voor de jaren 1988 en volgende ging het al veel beter. De procedures voor de Haagse rechter betroffen anoniem gebleven personen met een inkomen van ongeveer 45.000 gulden. Ondanks dit bescheiden inkomen waren er toch flinke spaargelden, die zo'n 7.000 gulden aan verzwegen rente opleverden.

De inspecteur legde daarom een nadere belastingaanslag op. Daarbij ging hij er van uit dat zijn gegevens uit de rente-renseignering over 1987 nog onvolledig waren. Omdat het hier onbetrouwbare belastingbetalers betrof, die nog wel meer verzwegen zouden hebben, verhoogde hij de belastbare rente-bedragen met de natte vinger tot 10.000 gulden. Dat ging de rechter, mr. J.M. van der Beek, te ver. Financiën had er nooit doekjes om gewonden dat het ook voor 1987 ging om een "algemene renseignering van rente". Dat was voor de rechter voldoende om de opgave die de inspecteur van de banken had gekregen, voor juist en volledig te houden. Zijns inziens was het in strijd met de wet dat de inspecteur op eigen houtje een toeslag toepaste voor vermoedde renteontvangsten. In een van de gevallen hanteerde de inspecteur zelfs een toeslag van 66 procent.

Het is onduidelijk of het hier enkele incidenten danwel een meer algemeen optreden van inspecteurs betreft. Het ministerie van financiën heeft zo'n beleid in elk geval niet uitgevaardigd. Woordvoerder J. Booij van de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs kent uit zijn eigen praktijk geen voorbeelden van een dergelijk onwettig optreden. Hij denkt dat “het hier mogelijk gaat om enkele inspecteurs die het niet meer zo scherp zien”. Misschien kunnen hier reacties van lezers hier meer duidelijkheid bieden.

Het is Booij overigens wel opgevallen dat er van de doelstellingen van de rente-renseignering helemaal niets terecht is gekomen. “Wij waren er indertijd beducht voor dat de rente-renseignering het begin zou worden van een grootscheepse jacht op zwart geld. Het ministerie van financiën heeft dat ook steeds bevestigd.”

Het was een voor de hand liggende gedachte van de belastingadviseurs. Het spoor van verzwegen rente leidt immers vaak naar verzwegen inkomsten. Op 18 februari 1988 hebben de bewindslieden van Financiën de belastingdienst opgedragen met harde hand op te treden zodra de door de bankopgaven aan het licht gekomen rente niet verklaard kan worden uit "wit' inkomen. In die gevallen moeten de inspecteurs de normale hoge boete opleggen voor het verzwijgen van rente en ook nog een fikse boete voor het verzwijgen van ander inkomen.

Volgens Booij is hier helemaal niets van terecht gekomen. Hij noemt het merkwaardig dat de fiscus dit schot voor open doel heeft gemist. “Ik kan zo voorbeelden geven. Wat te denken van een werknemer van een benzinepomp die 10.000 gulden aan rente verzwegen bleek te hebben. Hij had uit verzwegen fooien namelijk een aardig kapitaal bij elkaar gespaard. Toch was er geen inspecteur die zelfs maar de vraag heeft gesteld: hoe komt gij aan dat geld?”

Of deze slappe houding ook naar de meer vermogende rente-ontduikers heeft doorgewerkt, is onduidelijk. Bij de belastingheffing over vermogen heeft de fiscus in elk geval vanaf 1989 wèl rekening gehouden met de aan het licht gekomen vermogens. Volgens het jaarverslag van de belastingdienst heeft dat in 1988 en 1989 in totaal voor 20 à 30 miljoen gulden aan extra belastinginkomsten opgeleverd.

Met dit bedrag voor ogen, betekenen de ervaringen van de belastingadviseurs dat een veelvoud van dat geld voor de fiscus voor het grijpen heeft gelegen. Veel belastingfraudeurs hebben dus niet alleen geluk gehad met de lankmoedige opstelling van Ruding, maar ook met de onmacht van de belastingdienst om een opgelegde kans om belastingontduikers af te straffen, goed te benutten.