Europese landbouwbeleid staat gemeenschappelijk defensiebeleid in de weg; Duitsland kan Franse boeren niet blijven onderhouden

Wat het is met de Adviesraad Vrede en Veiligheid weet ik niet, maar er worden in die kring merkwaardige opvattingen geventileerd. Een tijdje geleden beweerde Bart Tromp in Intermediair dat binnen afzienbare tijd een Europese Monetaire Unie tot stand zou komen. Je kunt over een dergelijke EMU veel beweren, maar niet dat die binnenkort tot stand komt.

In de eerste plaats zal er nooit een EMU komen die alle EG-lidstaten omvat omdat de arme landen het vereiste arbeidsproduktiviteitsniveau missen om met een dergelijke harde munt hun produkten af te zetten. In de tweede plaats komt er, als het al lukt, slechts een EMU tussen Frankrijk, de Benelux, Duitsland en misschien Denemarken, maar dan moet wel eerst de Duitse economische eenwording in goede banen zijn geleid en dat duurt nog wel even.

Professor Van Staden, voorzitter van de Adviesraad, schuwt opzienbarende opvattingen evenmin. In debat met Heldring neemt hij (NRC Handelsblad, 17 juli) een wel heel bijzondere positie in. Nadat hij eerst Heldring heeft laten weten dat er geen objectief Nederlands nationaal belang bestaat en dat om deze reden een dergelijk uitgangspunt geen richtsnoer kan zijn voor beleid, stelt hij even later vast dat zijn pleidooi voor een Europese defensieorganisatie juist is ingegeven door het Nederlandse belang.

Hier rammelt iets. Vervolgens voert hij een keur van argumenten aan om zijn stelling te ondersteunen dat er een Europese defensieorganisatie dient te worden gevormd. De reductie van de Amerikaanse troepensterkte, de Amerikaanse financiële problemen en het kritische Congres dwingen de Europeanen om ook de EG een rol te laten spelen op defensiegebied. Verder hoeven we niet bang te zijn voor die onbetrouwbare Fransen, want geografisch zijn ze met de Europese veiligheid verbonden. Voorts dient Duitsland verankerd te blijven in een hechte Europese constructie. Aangezien dit land zich heeft uitgesproken voor een Europese defensie dienen de overige Europese landen teneinde een Duitse Sonderweg te voorkomen daaraan mee te werken. Zijn laatste argument luidt dat er steeds moeilijker een scheiding is te maken tussen economische en veiligheidspolitieke aspecten.

Van Staden gaat echter voorbij aan de vraag of Europa, dat nog steeds een optelsom is van natie-staten met geheel verschillende historische wortels en mede daardoor vaak tegengestelde belangen, wel in staat is om in alle gevallen dat de vrede en stabiliteit worden bedreigd, eensgezind en dus slagvaardig op te treden. Nu is het nog zo dat als er acuut gevaar dreigt en er is geen tijd voor consultatie, de Amerikaanse president een knop indrukt. Welk Europees land of welk Europees gremium zou dat moeten doen in de toekomst? Hoe je het ook wendt of keert, zolang Europa wordt verscheurd door tegengestelde belangen, en die zullen blijven bestaan, zullen we voor een geloofwaardige afschrikking afhankelijk zijn van de Verenigde Staten. Gelukkig is ook Van Staden de mening toegedaan dat de NAVO moet blijven bestaan. Maar dan rijst wel de vraag hoe de machtsverhoudingen zullen liggen tussen twee, onvermijdelijk concurrerende, defensieorganisaties. En dat is nu precies de reden waarom men zich in Washington zorgen maakt over al die plannen om de gemeenschap ook op defensiegebied te laten opereren.

Laten we echter van Staden eens terwille zijn en uitgaan van de wenselijkheid van een Europese defensieorganisatie. Dan rijst natuurlijk de vraag hoe de Fransen gedwongen kunnen worden om hun autonomie op defensiegebied op te geven. Voordat men zich echter overgeeft aan tactische bespiegelingen is het niet onverstandig om zich af te vragen of de Fransen überhaupt bereid zullen zijn om hun autonomie op defensiegebied op te geven. In de jaren vijftig en zestig hebben de Fransen zich een onevenredig groot deel van het landbouwbudget (ons land heeft ook niet slecht geboerd) en het ontwikkelingsfonds voor de ex-koloniën weten toe te eigenen omdat toen West-Duitsland nog bereid was om, in haar toen nog kwetsbare positie, diep in de buidel te tasten. Na de eenwording wordt het steeds meer de vraag of Duitsland bereid zal zijn om zoveel te blijven betalen voor de Franse boeren. Het zou dus wel eens zo kunnen zijn dat de Franse diplomaten steeds meer problemen krijgen om misbruik te maken van de Duitse geschiedenis. Als dat zo is blijft er voor Mitterrand nog maar één ding over om serieus te worden genomen, de force de frappe.

Het ziet er dus naar uit dat de kans dat de Fransen bereid zouden zijn om hun autonomie op dit terrein op te geven kleiner is dan ooit. Los hiervan, de tactiek die Van Staden voorstelt lijkt bij voorbaat tot mislukken gedoemd te zijn. Hij stelt voor het inwilligen van Franse verlangens op het gebied van landbouw of monetair beleid afhankelijk te maken van Franse inschikkelijkheid in militaire aangelegenheden. Deze aanbeveling kan maar beter niet opgevolgd worden. Er valt namelijk helemaal niets toe te zeggen op het gebied van de landbouw en monetair beleid. Op monetair gebied hebben de problemen met de Duitse economische eenwording en de wijze waarop deze heeft plaatsgevonden het Franse verlangen naar een EMU ernstig bekoeld. Op landbouwgebied zou inschikkelijkheid ten aanzien van de Franse wensen er wel eens op neer kunnen komen dat de Uruguay-ronde mislukt met alle gevolgen vandien voor de industriële export van Europa naar landen buiten de EEG. Dat lijkt mij een wat hoge prijs voor zoiets schimmigs als een Europese defensieorganistie.

Dat brengt mij tot een laatste overweging. Heldring heeft voorzichtig geopperd dat verbreding in plaats van verdieping misschien niet in het belang is van de Europese Gemeenschap maar wel in het belang van ons land. Misschien is verbreding echter ook in het belang van de gemeenschap zelf. Daarvoor zijn de volgende argumenten aan te dragen. Hierboven is reeds aangegeven dat uitsluitend de Atlantische band voor een geloofwaardige afschrikking zorg kan dragen. Het is daarom van het grootste belang voor de hele gemeenschap om deze band niet te problematiseren met Europese avontuurtjes.

Welnu, verbreding van de gemeenschap is de beste garantie dat de Atlantische band blijft bestaan. Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije (net als Zweden en Oostenrijk) zullen namelijk nooit bereid zijn om de zojuist herwonnen soevereiniteit af te staan aan een supranationale Europese defensieorganisatie. In de tweede plaats zal alleen een Oosteuropees lidmaatschap van de gemeenschap deze landen de mogelijkheid geven om daadwerkelijk produkten af te zetten op onze markt en zodoende hun hervormingsprocessen kunnen ondersteunen. Het huidige protectionistische standpunt van de gemeenschap maakt dit hen simpelweg onmogelijk terwijl handel juist één van de weinige mogelijkheden biedt om hervormingsprocessen te vergemakkelijken en zodoende de stabiliteit in deze regio te vergroten. Ten derde, dit argument geldt met name voor Nederland, biedt een verbreding ons land de mogelijkheid om de banden met Engeland (dat zich uitgesproken heeft tegen verdieping) aan te halen, een land dat we hard nodig hebben om tegenwicht te bieden aan de Frans-Duitse as of los te weken uit een Frans-Duits-Engelse as. Tenslotte zal verbreding misschien de druk opvoeren om nu eens eindelijk het volkomen vastgelopen gemeenschappelijke landbouwbeleid aan te pakken in het belang van de Europese industrie. Verbreding betekent namelijk dat Westeuropese boeren een veer moeten laten voor hun Oosteuropese collega's.

Verbreding mag dan misschien te verkiezen zijn boven verdieping, vermoedelijk lopen echter beide processen spaak. Wat de verdieping betreft zal de implementatie van de gemeenschappelijke markt altijd een proces blijven dat nooit een eindstation bereikt zolang Westeuropese regeringen gevangen blijven in een akelig web van pressiegroepen die schreeuwen om protectie als hun belangen in het geding zijn. Bovendien komen er nu ook protectionistische geluiden uit een hoek die vanaf het begin het hele 1992 project heeft gesteund, het bedrijfsleven. Integratie is prachtig zolang verkoopcijfers stijgen, gaan ze echter naar beneden dan worden er weer grensbelemmeringen verzonnen.

Verbreding zal alleen slagen als Europese landbouwministers bereid zijn om het gemeenschappelijke landbouwbeleid te herzien en hun collega's op Economische zaken zich bereid tonen om produkten waar wij niet op zitten te wachten als staal en textiel, toe te laten op hun eigen markt. En dat zijn ze niet. Misschien kunnen we hoop putten uit de wel heel merkwaardige situatie die zich in Duitsland voordoet. In dat land slagen een aantal Beierse keuterboeren er in om de belangen van de machtige Duitse industrie op het spel te zetten in het kader van de Uruguay-ronde. Dat kan toch niet lang duren zou men denken. Kohl kan echter niet zomaar de Freistaat Bayern aanpakken. Hetzelfde geldt om andere redenen voor Mitterrand en de Franse boeren. Ook in ons land is het Landbouwschap een zeer machtige organisatie. Misschien geeft de politieke emancipatie van Duitsland Kohl de moed om de grote Duitse bijdrage aan het landbouwfonds aan de orde te stellen. Als dat namelijk zou gebeuren zou een hervorming van het gemeenschappelijke landbouwbeleid niet lang uit kunnen blijven.

Hoe het ook zij, de huidige onmacht van de Westeuropese regeringen om het gemeenschappelijke landbouwbeleid te hervormen bedreigt onze industriële afzetmarkten buiten Europa en bergt het gevaar in zich van nog grotere instabiliteit in Midden-Europa dan reeds nu het geval is. Nederlandse multinationals zijn hiervan goed doordrongen en verdiepen zich al jaren in het weerbarstige landbouwdossier. De Adviesraad Vrede en Veiligheid zou zich daarom met dwazere dingen kunnen bezighouden dan, wat ik zou willen noemen, de politieke economie van veiligheidsvraagstukken. Dat levert naar mijn vaste overtuiging bruikbaardere inzichten op dan pleidooien voor een doodgeboren Europees defensiekindje.