Dode voorntjes tussen algenflappen in Brabantse Dommel

EINDHOVEN, 14 AUG. Een driehoek land, ingeklemd tussen Eindhoven, Nuenen en Geldrop. Hier stroomt de Kleine Dommel, die op de grens van Brabant en Limburg ontspringt en zich verderop bij de Grote Dommel voegt. Collse Zeggen heet dit beekdal. Er staat een stokoude watermolen, die in 1884 door Vincent van Gogh werd geschilderd, en het wemelt er van de vlinders. Een ongerept landschap, zou men zeggen, maar dat is ook hier in ten minste één opzicht bedrieglijk.

Als we de beekoever naderen, zien we tussen liesgras, pijlkruid en algenflappen een stel dode vissen drijven, voorntjes die de staat van volwassenheid niet bereikten. Rolf Roos (37) weet wat er aan de hand is: “Ze zijn gestorven door zuurstofgebrek en dat is weer een gevolg van overbemesting in de landbouw. Al die overtollige fosfaten en nitraten die het water inspoelen zorgen voor een uitbundige algen- en plantengroei. Zo ontstaat een biomassa die 's nachts alleen maar zuurstof verbruikt en voor de vissen te weinig overlaat.”

Maar tegelijk doet hij een tamelijk verrassende ontdekking: “Kijk, een schaatsenrijdertje! Dat beestje hoort thuis in een schoon milieu.” We zien een hoogpotig insekt, dat zich als een schaatsenrijder over de Kleine Dommel rept, wat betekent dat de oppervlaktespanning toereikend is om zijn lichaam te dragen. Zodra het water bijvoorbeeld door wasmiddelen is vervuild, zakt hij er onherroepelijk door.

Bovendien ontwaart Roos bij al die dode voorn ook nog een levende vis, maar dan wel in een smalle zijstroom. Daar zwemt een bermpje rond, een typische beekbewoner, vertegenwoordiger van een zeldzame en beschermde soort. Roos probeert hem met een theezeefje te vangen, voor een korte nadere studie om hem dan weer ongeschonden terug te zetten, maar zijn inspanningen zijn vruchteloos. Hij had een schepnetje moeten nemen.

Roos is bioloog, dat mag duidelijk zijn. Hij werkt part-time bij de stichting Natuur en Milieu in Utrecht en is met Volkert Vintges (Milieudefensie) schrijver en samensteller van het onlangs verschenen boek Het milieu van de natuur. Het is een ruim 200 pagina's tellende handleiding voor het herkennen van milieuschade in de natuur als gevolg van verzuring, vermesting en verdroging: de zogenoemde Grote Drie, die volgens de auteurs een "dodelijke dans componeren, waaraan geen enkel Nederlands ecosysteem ontspringt'.

Toch valt het, zeker voor de ecologische leek, niet mee om al die schade op te sporen. “Het is”, aldus de inleiding van het boek, “niet moeilijk om de verwoestende invloed van een nieuwbouwwijk op een middeleeuws polderlandschap te laten zien. Net als acute vergiftiging van het waterleven door bestrijdingsmiddelen in het bollengebied achter de duinen. Maar de meeste effecten zijn veel subtieler en worden pas duidelijk bij nauwkeurig en jarenlang waarnemen.”

“Het zijn sluipende processen”, vertelt Roos daar bij de Brabantse beek, waar de fatale gevolgen van - in dit geval - vermesting niettemin in het oog springen. Dode voorn ter illustratie van wat boeren in de natuur aanrichten. Maar zij niet alleen. Ook gezuiverd rioolwater uit dorp of stad bevat nog fosfaten, die zo bevorderlijk zijn voor de algenwoekering in beek en rivier - en soms, na zware regenval, lopen de riolen eenvoudig over.

Om een beeld te krijgen van de aftakeling, maar dan door verzuring, hadden we ook naar de Rouwkuilen kunnen gaan, een natuurreservaat bij Ysselsteyn in de Peel, dat zwaar te lijden heeft onder ammoniakdampen uit omringende varkenshouderijen. “Wetenschappelijk onderzoek zure regen - betreden op eigen risico”, staat er op een bord van Staatsbosbeheer. Veel bomen in de Rouwkuilen zijn dood of op sterven na dood. Amerikaanse eiken dragen slechts blad op korte "noodscheuten' aan de stam. Zwart uitgeslagen takken liggen verspreid over de grond.

“Maar dat vond ik een te voor de hand liggend voorbeeld”, zegt Roos. “Als zure-regen-reservaat hebben de Rouwkuilen nationale bekendheid gekregen en daarom dacht ik: laten we naar de Dommel gaan, daar is de achteruitgang moeilijker waarneembaar. Maar zie: door die dode voorn worden we toch op onze wenken bediend.”

De bioloog schat dat de rampzalige Grote Drie - verzuring, vermesting en verdroging - voor zeker zeventig, tachtig procent op naam komen van het boerenbedrijf. In de cocktail van schadelijke stoffen die de zure regen veroorzaken speelt ammoniak uit de intensieve veehouderij of bio-industrie, zeker in deze regio, een overheersende rol. Ook vermesting is goeddeels een agrarische aangelegenheid, terwijl verdroging het gevolg is van peilverlaging in het belang van de boer. Dankzij die ingreep kan hij gemakkelijker het land op met trekkers en machines en groeien zijn gewassen beter. Maar de wilde, vochtminnende soorten verkommeren door gebrek aan grondwater en dat heeft weer nadelige gevolgen voor de dierenwereld.

Bij dit alles doet zich het opmerkelijke verschijnsel voor dat sommige planten en dieren juist onder het verval gedijen. Een daarvan is de zwarte specht, die zich voedt met insekten en hun maden uit dood hout in verzuurde bossen. De enige in Nederland nog florerende groep paddestoelen bestaat uit soorten die van ziek of dood geboomte leven.

Over de hele linie echter is de natuur onderhevig aan verarming en nivellering. Of, in de woorden van D. Logemann (Natuur en Milieu): “De veelheid aan vormen van plantaardig en dierlijk leven, vooral op het gebied van insekten, is verdwenen. Kruidenrijke graslanden, vis- en insektenrijke beken, bossen vol paddestoelen - je vindt ze bijna niet meer. Soorten die veel milieudruk kunnen verdragen, gaan overheersen. Soorten die minder kunnen hebben, worden weggeconcurreerd. Zo wordt de natuur steeds eenzijdiger.”

Met Logemanns collega Roos leunen we ter hoogte van St. Oedenrode over een bruggetje dat de Dommel overspant. De Dommel die hier nog door de velden kronkelt, zoals het een beek betaamt. Ook Roos ondergaat de bekoring van het landschap, maar kan niet nalaten een domper op de vreugde te zetten: “Zie je hoe groen alles is? Maar dat is niet natuurlijk. Door een combinatie van verdroging en vermesting verdwijnen de andere kleuren: het geel van de boterbloem, het lila van de pinksterbloem en het bruin-rode van zuring. En dan noem ik maar een paar algemene soorten en zwijg ik over orchideeën. De vergroening van Nederland, ook dat is een kwaad dat zienderogen oprukt.”