Zuidafrikaanse schrijversbond: "Wij moeten het wiel nog uitvinden'

De Zuidafrikaanse schrijversbond Cosaw voor zwarte en blanke auteurs kampt met haast onoverkomelijke problemen: het analfabetisme van de arme zwarte bevolking, de elitaire opstelling van Afrikaner uitgeverijen en het isolement door de culturele boycot. “We zitten te springen om contacten met buitenlandse auteurs”, zegt Junaid Ahmed.

JOHANNESBURG, 13 AUG. Van "het nieuwe Zuid-Afrika' valt volgens Junaid Ahmed, de nationale coördinator van het Congress of South African Writers (Cosaw), praktisch nog maar weinig te merken. Ahmed werd door het bestuur van Cosaw weggeplukt van de universiteit van Durban, waar hij drama doceerde, en belast met het opzetten van een infrastructuur voor de schrijversbond voor blanke en zwarte auteurs. Met zijn medewerkers opereert hij vanuit een vervallen fabriekspand even buiten het centrum van Johannesburg.

Het voornaamste probleem blijft volgens Ahmed de apartheid. “De belangrijkste apartheidswetten zijn weliswaar afgeschaft, maar de sociale apartheid blijft bestaan. Wij kampen met vrijwel onoverkomelijke problemen. Om te beginnen is zo'n zestig procent van de zwarte bevolking analfabeet. Zolang dat euvel niet is opgelost, kunnen we als organisatie van schrijvers niets doen aan leesbevordering. De slechte verspreiding van boeken is ook een groot probleem. We kunnen nauwelijks iets doen aan de totstandkoming van een leescultuur. De Afrikaner schrijvers zijn wat dit betreft duidelijk in het voordeel. Zij hebben altijd kunnen beschikken over uitgeverijen en een overwegend blank lezerspubliek. Zwarte mensen hebben door het zogenaamde Bantoe-onderwijs een enorme achterstand opgelopen. En in het onderwijs is structureel nog niets veranderd. De cultuur van de zwarte bevolking is altijd ontkend en systematisch vernietigd. Dat is ironisch, want er zijn meer zwarten die Afrikaans spreken dan blanken. Afrikaner uitgeverijen als Tafelberg, Haum, Human en Rousseau zullen wat ons betreft hun beleid moeten wijzigen en afzien van hun strikt elitaire benadering van literatuur. Zij richten zich nu vrijwel alleen op blanken. Wij moeten bij wijze van spreken het wiel nog uitvinden,” aldus Ahmed.

“We zijn door de culturele boycot, die nodig was om het bewind in Pretoria onder druk te zetten - en waar ik nog steeds achter sta- noodgedwongen lang van de buitenwereld afgesneden geweest. We zitten nu te springen om contacten met het buitenland. Het gaat ons niet zozeer om geld uit het rijke westen, we zouden liever op basis van gelijkheid met andere organisaties in het buitenland contacten onderhouden. Ik kan me voorstellen dat we een uitwisseling organiseren tussen Zuid-Afrika en Nederland. Daar bestaan nu op een ander niveau al plannen voor. We kunnen een schrijver drie maanden naar hier uitnodigen en voor hem of haar de verblijfkosten betalen. Voorwaarde is misschien wel dat deze schrijver de townships bezoekt en meewerkt aan workshops, en zich op die manier daadwerkelijk op de hoogte stelt van de problematiek met betrekking tot het schrijverschap hier. Een Zuidafrikaanse schrijver zou dan drie maanden in Nederland kunnen vertoeven. Veelal ontbreekt het schrijvers hier aan de ruimte om te schrijven, aan de rust. Het dagelijks leven vergt zeer veel van je. Er is een enorme druk. Vooral als je van schrijven je beroep wilt maken. Er zijn, anders dan in Nederland, geen beurzen beschikbaar, er is in feite niets.”

Cosaw heeft al wel belangrijke contacten met organisaties als het Afrikaans Schrijversgilde (AGS) vertelt Ahmed. Schrijvers en dichters in het Afrikaans als Etienne van Heerden, Jeannette Fereira en Anthie Krog helpen mee aan het opzetten en uitvoeren van workshops in de townships en op het platteland. “Maar dat is een druppel op een gloeiende plaat. We kampen natuurlijk ook met het probleem dat de mensen helemaal geen geld hebben om boeken te kopen. Dat is een economisch probleem dat wellicht aan alle andere problemen ten grondslag ligt.”

Cosaw werd in 1987 opgericht in een poging Zuidafrikaanse schrijvers te verenigen, ongeacht hun politieke stellingname of huidskleur. Eerdere pogingen daartoe waren door ideologische geschillen tot mislukken gedoemd. De schrijver Njabulo Ndebele, hoogleraar Afrikaanse talen aan de universiteit van Witwatersrand in Johannesburg en een vooraanstaand intellectueel, is voorzitter. Ook Nadine Gordimer maakt deel uit van het nationale overkoepelende bestuur. Cosaw telt vier regionale afdelingen: Port Elizabeth (oostelijke Kaapprovincie), Durban (Natal), Johannesburg (Transvaal) en Kaapstad (westelijke Kaapprovincie). De afdelingen proberen met bescheiden fondsen bibliotheken op te richten om de leeshonger althans enigszins te stillen. Bovendien worden er in de townships schrijf- en leescursussen georganiseerd. Populaire dichters- performers als Mzwakhe Mbuli en de rap-artiest Lesego Rampolokeng treden overal in het land op. Vaak zonder daarvoor een vergoeding te krijgen. En dat is iets dat Ahmed dwars zit. “Het heeft te maken met het feit dat er in dit land een minachting bestaat voor cultuur. Ook het ANC is nog niet doordrongen van het feit dat wij om den brode schrijven, dichten, optreden. Ook wat dit betreft, het beschermen van het werk van de auteur, auteursrechten, hebben we nog een lange weg te gaan. Nu kan iedereen nog naar hartelust jatten en ontvangt de auteur geen cent.”

Maar er zijn ook positieve ontwikkelingen te melden. Zo kocht Cosaw het vernieuwende Zuidafrikaanse literaire tijdschrift 'Staffrider' van de uitgeverij Ravan Press. Een belangrijke stap vooruit. Staffrider is onder redacteur Andries Walter Oliphant van een "underground' blad uitgegroeid tot een fraai vormgegeven, volwaardig tijdschrift. Staffrider verraadt gezien de inhoud, zijn afkomst niet (het blad werd na de opstand in Soweto van 1976 opgericht). Naast aandacht voor 'echte' literatuur, treft de lezer ook het autobiografische verhaal van de town-ship schrijver B. M. Moeng aan, getiteld "Die swart gevaar'.