WAO-beleid kabinet is vooral een prijsbeleid

Het pakket maatregelen van het kabinet voor ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid lijkt er vooral op gericht op korte termijn een forse besparing te realiseren. Het werkelijke probleem, de verontrustende volumegroei, wordt niet echt aangepakt. Als het aantal zieken en arbeidsongeschikten niet drastisch wordt teruggebracht, zijn over tien jaar de kosten weer zodanig opgelopen dat het dan zittende kabinet opnieuw moet ingrijpen.

Het kabinet heeft een aantal maatregelen voor ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid gepresenteerd, waarvan de meest in het oog springende het bekorten van de duur van de WAO-uitkering voor werknemers jonger dan vijftig jaar is. Evenmin als een verlaging van de WAO-uitkering heeft deze maatregel effect op het aantal mensen dat arbeidsongeschikt is of wordt. Er is sprake van symptoombestrijding, waarbij de kosten die het gevolg zijn van de volumegroei het symptoom zijn. Als het volume blijft groeien, nemen ook de kosten weer toe tot een volgend kabinet door de dan sterk gestegen kosten wakker wordt geschud en de volume-problematiek tot een nationaal probleem verheft.

Mijn verwijt aan het kabinet is dat het te veel een prijsbeleid voert en te weinig een volumebeleid. De voordelen van een prijsbeleid voor het kabinet zijn evident: het levert op korte termijn geld op en noodzaakt niet tot nader onderzoek naar de oorzaken van arbeidsongeschiktheid.

Het heeft er alle schijn van dat het kabinet in de opvattingen van de vier vakcentrales, die meer een volumebeleid voorstaan, niet of nauwelijks geïnteresseerd was. Op de nota die de Algemene Vakcentrale (AVC) op 1 juli heeft vastgesteld heeft het kabinet helemaal niet gereageerd en de FNV, het CNV en de MHP hebben in de SER al geen meerderheid kunnen vinden voor een echt volumebeleid.

Consistent beleid en dus ook een consistent volumebeleid kan slechts worden gevoerd als er geschikte instrumenten worden ingezet ter realisering van geschikte doelen. Bij het aanpakken van de volume-problematiek in de regelingen voor arbeidsongeschiktheid dient de nadruk te liggen op preventie en reïntegratie.

Preventie zal in elk geval op lange termijn de sleutel tot terugdringing van het arbeidsongeschiktheidsvolume vormen. Niet alleen moeten in het "voortraject' op de arbeidsplaats preventie-maatregelen worden genomen, maar ook moet worden voorkomen dat gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid leidt tot afvloeiing in de regelingen voor arbeidsongeschiktheid. Bij maatregelen op het gebied van preventie kan niet worden voorbijgegaan aan de positie van de Bedrijfsgezondheidszorg (BGZ). BGZ zou verplicht moeten worden gesteld voor alle arbeidsorganisaties, waarbij de BGZ als intermediair tussen werkgever en werknemer de wisselwerking tussen gezondheid en arbeid in de gaten dient te houden. De BGZ is beter ingevoerd op dit grensgebied dan de verzekeringsarts van het GAK, die thans deze rol vervult. De BGZ moet als intermediair onafhankelijk zijn; daartoe dient de financiering van de BGZ niet langer te geschieden door de werkgever, maar te worden overgeheveld naar de AWBZ.

De bedrijfsarts nieuwe stijl moet zich ontwikkelen tot een "arts voor arbeid en gezondheid', deskundig op medisch gebied maar ook op dat van de sociale zekerheid en arbeidsomstandigheden. Als deze vervolgens binnen structurele kaders contact onderhoudt met de huisarts, die in het zorgsysteem als schakel naar het tweede echelon fungeert, kunnen de curatieve en de bedrijfskundige zorg worden geïntegreerd en kan het controlesysteem worden vereenvoudigd.

De kwaliteit van het handelen van die arts hoort te worden getoetst en deze zal zich bij moeten scholen, ook op vlak van de sociale zekerheid en de verzuimbegeleiding.

In deze opzet verandert de positie van de verzekeringsgeneeskunde in het algemeen en die van de verzekeringsarts in het bijzonder.

Bij de beoordeling door de huisarts ligt het accent op medische gronden, bij die door de "arts voor arbeid en gezondheid' op de relatie mens (werknemer)-arbeid, bekeken per beroep. Gedurende de eerste zes weken van verzuim is een rol weggelegd voor de huisarts en de arts voor arbeid en gezondheid; daarna treedt de toekomstige verzekeringsdeskundige meer op de voorgrond met een taak op het gebied van secundaire en tertiaire preventie. Daartoe is deskundigheid geboden op het gebied van de ontwikkeling van ziektepatronen (per bedrijf of bedrijfstak) en het aangeven van mogelijke verbeteringen in de arbeidsomstandigheden.

Reïntegratie vereist minieme financiële risico's voor de werknemer en niet te hoge financiële drempels voor de werkgevers. Eén van de mogelijkheden om reïntegratie te bevorderen is een verruiming van het begrip passende arbeid, waarbij aansluiting kan worden gezocht bij de WW-definitie van passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om reden van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet kan worden gevergd.