Vergane glorie

Toneelstukken zijn er eigenlijk niet om te lezen, maar om te zien. Althans als je tot het publiek behoort. Niettemin heb ik het door de Britse schrijver Terence Rattigan geschreven stuk "The Winslow Boy' al wel tien keer gelezen. Ik moet er bij zeggen, dat het niet meer dan 98 pagina's van klein formaat telt, maar voor mijn part hadden het er wel tweehonderd mogen wezen, want Rattigan schrijft een schitterende, typisch-Britse dialoog, die enorm boeit.

Het is het verhaal van een vijftienjarige leerling van de zeevaartschool, die ontslagen wordt op verdenking van diefstal van een postwissel van vijf shilling. De vader van de jongen gelooft in de onschuld van zijn zoon en begint een proces tegen de Kroon. Financieel brengt het hem zo ongeveer tot de bedelstaf, maar hij houdt koppig vol en nadat hij een befaamde strafpleiter heeft aangetrokken wordt de zaak uiteindelijk gewonnen. 's Mans gezondheid is aangetast, de verloving van zijn dochter is als gevolg van het proces op de klippen gelopen en de beklaagde zoon is al lang voor iets anders gaan leren. Toch is het de vader waard geweest, want "right has been done'.

Dit heeft met sport niets te maken. Behalve dan, dat er een advocaat in voor komt, een vriend van de familie, die in zijn beroep niet zo heel ver is gekomen maar die in zijn jonge jaren een beroemd cricketer is geweest. In een gesprek met een vreemde vraagt die of Curry (de advocaat) een relatie is van DE Curry, “die vroeger voor Middlesex speelde?” Met gepaste trots bevestigt de cricketer dat hij de grote Curry is. “Dus u bent die man van de hattrick in 1895? Jazeker, en gretig spuit Curry de bijzonderheden: “Het was op Lord's. 26 overs, 9 maidens, 37 runs en 8 wickets”. Maar het gesprek neemt een trieste wending, want de intussen zwaar middelbaar geworden Curry speelt nog altijd cricket, waarbij vrijwel niemand naar hem omkijkt, want de rechterschouder wil niet meer.

Misschien slaat het nergens op maar toen ik afgelopen week geruime tijd Engels cricket op de good old BBC zag, schoot die scène uit het stuk van Rattigan me weer te binnen. DE Curry uit 1895, die zo geschitterd had en later zo deerlijk in het vergeetboek belandde. Er was nu een 25-jarige bowler, die tegen de slecht battende Westindiërs vijf wickets veroverde binnen een kwartier. Misschien een incident, misschien het begin van een luisterrijke carrière in de topsport. Maar de kans bestaat (en lijkt me zelfs vrij groot) dat ooit een middelbare Tufnell, die nu zes wickets voor slechts 25 runs veroverde, op een gardenparty of in een bruin café iemand tegen het lijf loopt die nadenkend zegt: “Tufnell... Tufnell... Was u niet die debuterende spinbowler die in 1991 zo goed speelde tegen West-Indië?” En dan zal de aangesprokene hopelijk met zo min mogelijk triestheid in zijn stem zeggen: “Ja, dat was ik. Maar dat is lang geleden en tegenwoordig wil mijn schouder niet zo goed meer.”