Rust aan het "studiebeurzen-front' is ver te zoeken

In het weekeinde stelden de studentenbonden "verrassingsacties', bezettingen en blokkades in het vooruitzicht. De bonden willen niets weten van het plan van minister Ritzen om studenten die hun propaedeuse niet in een jaar halen het tweede studiejaar hun basisbeurs te ontnemen. De zoveelste wijziging in het beurzenstelsel.

ROTTERDAM, 13 AUG. “Rust aan het front” beloofde minister Ritzen (onderwijs) parlement en student vorig jaar juli in de Tweede Kamer, waar hij zijn toen net gepubliceerde plannen met de studiefinanciering besprak. Toch kunnen de studiebeurzen voor "een hete herfst' gaan zorgen. De Landelijke Studentenvakbond en enkele andere studentenbonden laten daarover geen misverstand bestaan.

Als de veranderingen die hij had voorsteld in de nota Heroriëntering Studiefinanciering waren ingevoerd zou er voorlopig niet meer worden getornd aan basisbeurs en studielening, beloofde Ritzen ruim een jaar geleden. Het kabinet was er immers mee akkoord gegaan jaarlijks vier miljard aan studiefinanciering te besteden, zo deelde hij de Kamer mee. Dat was weliswaar zo'n zevenhonderd miljoen minder dan naar verwachting bij ongewijzigd beleid nodig zou zijn, maar met de "heroriëntering' zou dat bedrag op de uitgaven kunnen worden bezuinigd. Met de resterende vier miljard was het mogelijk een "sober' stelsel van studiefinanciering overeind te houden.

Een jaar later is Ritzen nog steeds doende de plannen uit zijn heroriënteringsnota in daden om te zetten. De meeste bezuinigingsmaatregelen worden inmiddels gerealiseerd, andere worden in een nieuwe vorm gegoten (zoals de voorgestelde verzelfstandiging van de studielening) of zijn van de baan (de budgettair neutrale collectieve ziektekostenverzekering).

Van de beloofde "rust aan het front' is geen sprake en het zijn niet de studentenbonden die deze rust verstoren. Sinds Ritzen de Kamer geruststelde met de mededeling dat met zijn "heroriëntering' het stelsel de eerste jaren van ingrepen zou worden gevrijwaard, kondigen kabinet en Ritzen de ene na de andere bezuiniging aan, waaronder de voor de studentenbonden onverteerbare ingreep in de beurs na een jaar propaedeuse. De toezegging, vorig jaar, dat voor studiefinanciering vier miljard beschikbaar is lijkt vergeten. Sterker nog: alleen al de maatregelen uit de heroriënteringsnota zorgen er voor, volgens recente berekeningen, dat in de loop van de jaren '90 ongeveer tweehonderd miljoen minder voor studiefinanciering wordt uitgegeven dan de toebedeelde vier miljard.

Het in 1986 ingevoerde stelsel van studiefinanciering blijft derhalve nog wel even in de steigers staan. Naarmate de datum nadert voor de wettelijk verplichte evaluatie van de wet lijken het tempo waarin wordt ingegrepen en de omvang van de verbouwingen zelfs toe te nemen. Als het door Ritzen voor oktober beloofde evaluatierapport op tafel ligt zal het, kortom, niet gaan over het beurzenstelsel waar de studenten op dit moment mee te maken hebben.

Voor de studenten die vanaf 1 augustus voor het eerst studiefinanciering krijgen ziet dat stelsel er bijvoorbeeld anders uit dan voor degenen die voor die tijd al aanspraak maakten op een basisbeurs. Zo stopt voor de nieuwkomers het recht op een beurs zodra zij 27 jaar worden. Als zij dan nog niet klaar zijn met hun studie kunnen ze het beursbedrag lenen. Degenen die voor 1 augustus al studeerden kunnen met behoud van hun beurs hun studie afmaken, ook als ze ouder zijn dan dertig jaar. Voor hen geldt nog de regel dat zij met hun studie voor hun dertigste verjaardag moeten zijn begonnen. Als de nieuwkomer in het hoger onderwijs studeert heeft hij bovendien niet langer zes jaar recht op een beurs, maar slechts gedurende de veel kortere cursusduur plus een jaar. In het algemeen zal dat dus neerkomen op vijf jaar. Daarna kan hij nog hooguit twee jaar het beursbedrag (rentedragend) lenen.

Dit zijn nog maar twee van de al door Ritzen met goedkeuring van het parlement ingevoerde bezuinigingsmaatregelen. Een andere is het vanaf 1 januari 1992 heffen, al tijdens de studie, van een aanzienlijk hogere rente (de marktrente plus een opslag voor de kosten die aan het verstrekken van de lening verbonden zijn) op de studieleningen. Ook is de hoogte van de basisbeurs bevroren: van compensatie voor de gestegen prijzen is geen sprake meer.

Studenten in het hoger onderwijs betalen met ingang van dit studiejaar ook 1.850 gulden collegegeld, tegen 1.750 gulden in het voorgaande jaar. De komende vier jaar zal het collegegeld jaarlijks met honderd gulden stijgen. Daar staat tegenover dat de student deze prijsstijging (rentedragend) kan lenen. Dit om, zo schrijft Ritzen, “de toegankelijkheid van het onderwijs te kunnen blijven garanderen”. Zo'n compensatie zou ook voor de hand liggen voor de inkomstenderving van de student door de bevriezing van de basisbeurs, die groter wordt naarmate de inflatie toeneemt. Ritzen vindt dat in dit geval de ouders maar extra moeten betalen.

In de Tussenbalans, in februari, werd al aangekondigd dat “in aansluiting op de Heroriëntering Studiefinanciering” de uitvoering van het stelsel zal worden gewijzigd. Eind juni gaf premier Lubbers in een brief aan de Tweede Kamer hier meer inzicht in. Zo blijkt dat op 1 augustus 1993 de basisbeurs in het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs omlaag gaat en dat de beurs vervalt als, net als in het hoger onderwijs, meer dan een jaar langer dan de formele cursusduur over de opleiding wordt gedaan. Vanaf 1 januari 1992, precies een jaar na de invoering van de OV-kaart, moet de student er meer voor gaan betalen. De basisbeurs gaat met enkele guldens per maand omlaag.

Vanaf 1 augustus 1992 wil Ritzen, zo blijkt verder uit Lubbers' brief, studenten aan universiteiten en hogescholen tijdens hun propaedeuse nog maar een jaar een basisbeurs verstrekken. Deze maatregel komt bovenop het bindende studie-advies dat de student na het eerste jaar krijgt. Het is echter te betwijfelen of, áls de maatregel al de instemming van het parlement krijgt, hij op zo korte termijn kan worden ingevoerd. Volgens het bureau Berenschot Informatica, dat vorige maand rapporteerde over het zogeheten Centraal Register Inschrijving waar de inschrijvingsrechten van alle studenten worden geregistreerd, duurt het nog enkele jaren voordat het betrouwbaar kan functioneren.

Bij deze ingrepen blijft het niet: Ritzen wil het schoolgeld verder verhogen, vooral zittenblijvers zouden meer moeten betalen. Ook is hij van plan vanaf 1 januari de dan al vrijwel op commerciële hoogte gebrachte rente op de studielening verder te verhogen. Dat eist het kabinet nu het heeft besloten de studieleningen in de begroting ook daadwerkelijk als leningen te beschouwen en niet alleen als uitgaven. De hogere rente dient dan als gedeeltelijke financiering voor het "sociaal risico' dat voor rekening van Ritzen komt. Het gaat hierbij om het bedrag dat later door de afgestudeerden niet wordt terugbetaald omdat hun inkomen dat niet toelaat.

Op het ministerie, in het kabinet en in de Kamer wordt inmiddels nog gedacht aan andere ingrepen in het beurzenstelsel. Zoals aan verdere verlaging van de basisbeurs van de student op kamers, het omzetten van alle beurzen in leningen en het weer geven van kinderbijslag in plaats van studiefinanciering voor studerenden in het voortgezet onderwijs. De rust aan het front laat nog even op zich wachten.