Medelijden met beginnende studenten

UTRECHT, 13 AUG. “Studeren is niet meer wat het vroeger is geweest”, zegt een vierdejaarsstudent. Medelijdend bekijkt hij de eerstejaars in de Utrechtse Janskerk. Zij hebben nog maar vijf jaar recht op studiefinanciering en kunnen niet meer eerst een jaartje feestvieren, zoals hij heeft gedaan. “Ze zullen hard moeten werken, anders redden ze het niet.”

Gisteren begon in Utrecht, evenals in veel andere studentensteden, de introductieweek voor eerstejaarsstudenten. Met kamelenraces, het beklimmen van de Dom, René Froger, kroegentochten en zeephellingen wordt gepoogd de aanstaande eerstejaarsstudent vertrouwd te maken met stad en studentenleven. In Utrecht schreven zich in totaal zo'n 4.000 eerstejaarsstudenten in. In de Janskerk werden 1.500 deelnemers (volgende week wordt nogmaals een zelfde aantal verwacht) toegesproken door een lid van het college van bestuur van de universiteit. Zijn studententijd was de mooiste tijd van zijn leven. “Dat zeggen ze allemaal”, mompelt een jongen. Wethouder Kernkamp onderstreept later dat studenten zich vooral als inwoner van de gemeente moeten inschrijven. “Je krijgt tenslotte heel wat terug van de stad: die biedt maar liefst 200 cafés, 170 restaurants en diverse festivals.” Het geld dat inschrijving de gemeente oplevert kan worden gebruikt voor fietspaden en extra woningen voor jongeren.

Na het officiële gedeelte worden de eerstejaars ingedeeld in mentorgroepen. Hèt gespreksonderwerp is al snel de kamernood, die dit jaar weer erger dan ooit schijnt te zijn. Van mentorgroep 102 is slechts één meisje in het gelukkige bezit van een kamer. De rest is naarstig zoekend, of blijft voorlopig thuis wonen. Heidi is al vanaf januari op zoek. “Laatst kreeg ik iets aangeboden, maar ja, ik gebruik geen drugs, zoals daar verplicht was.”

De meesten hebben zin in hun nieuwe leven. Ze zullen hard moeten werken, maar de vrijheid lokt. “Ik vind het thuis heel leuk hoor, maar kunnen doen wat je wilt lijkt me wel wat”, zegt een jongen. Hij wil lid worden van een studentenvereniging, maar weet nog niet van welke. Daar hoopt hij deze week tijdens de rondleidingen bij de verschillende verenigingen achter te komen.

De verenigingen zijn bang dat velen eerst hun propaedeuse willen halen en pas in hun tweede jaar lid zullen worden. Ze leggen er de nadruk op dat een vereniging behalve aan gezelligheid ook veel aan studiebegeleiding doet. Iedere zichzelf respecterende vereniging houdt er de nodige studiedisputen op na.

De ernst van het studeren komt later wel, meent een corpslid. “De introductie is een feest en moet dat ook blijven.” Achter hem is de "externe sjouwcommissie 1991' druk bezig het podium voor het Goede Doel in te richten. In een klein zaaltje houdt de schrijver Tim Krabbé een lezing. De organiserende debatingcommissie zit pontificaal op de eerste rij, drie dienbladen vol glazen bier onder handbereik. Op posters werd aangekondigd dat Krabbé het over zijn studentenleven zou hebben. Daar bleek de schrijver zelf niets van te weten. “Ik ga wat voorlezen, en een van de verhalen gaat over een student.”