"Ik zal een klant niet vertellen dat ik voetbalfan ben'

Hij heeft geen petje of das in de clubkleuren, neemt geen ratel mee naar het stadion, stapte een keer in een supporterstrein en was erbij toen de Mobiele Eenheid voor de eerste keer in de historie van zijn club een vak bestormde. Maar ellende heeft hij nooit veroorzaakt en bang is hij al evenmin geweest. In bijna niets voldoet hij aan het beeld dat van de supporter bestaat. Toch is hij al twintig jaar trouwe bezoeker van FC Utrecht.

Desmond Morris schrijft in zijn boek The Soccer Tribe (de voetbalstam) uit 1982 over de volgelingen: “Zonder de sfeer die zij creëren, zonder hun onstuimige loyaliteit en hun vurige verlangen, zou de hele sport in elkaar storten, niet alleen om financiële redenen, maar omdat ze haar ziel zou kwijtraken - haar doodsangst en genot.”

Martin Kers (35) uit Utrecht kan niet verklaren waarom hij al meer dan twintig jaar tot die stam behoort. Hij is niet verdwaasd. Wel verslaafd. Elke zondagmiddag als zijn club thuis speelt lijkt het of hij of een onzichtbare hand hem zachtjes naar stadion Galgewaard leidt. Niet tegen zijn wil, maar ook niet vol gedrevenheid. “Het is toch gek dat je ergens naar toegaat waarvan je verwacht een slecht product te zullen krijgen”, zegt hij. Dat zijn club een middenmoter is achter gevestigde waarden als Ajax, PSV en Groningen neemt hij op de koop toe. De spanning of de UEFA-cup wordt gehaald is 'm al voldoende. Maar Utrecht moet wel "Engels' spelen, met lange spitsen als Van Loen, Van Maurik, Van Veen en Carbo.

Academisch voetbal ligt de club niet, kan de supporters niet bekoren. Trainer Ab Fafié heeft de club in de UEFA-cup geholpen, maar de fans in de steek gelaten. Drie aantrekkelijke wedstrijden in een seizoen (tegen Roda, Groningen en PSV) is wat weinig.

Al zo vaak bezwoer hij aan het einde van een seizoen nooit meer te gaan, maar telkens als de verkoop van seizoenkaarten begon schafte hij er een aan. Goedkoop, want Utrecht houdt de prijzen laag. Honderdvijftig gulden voor een zitplaats op de tribune pal achter het doel. “Het liefste zou ik staan, want dan ben je eerder geneigd je club aan te moedigen. Een zitplaats maakt je passiever. Maar de staantribunes zijn nu op de vier hoeken van het veld, waar je geen goed zicht op het veld hebt.”

Vanaf zijn achtste gaat hij naar voetbal. Eerst met de buurman mee naar Elinkwijk, zijn club. “Ik was zo klein dat ik vanaf de tribune niks kon zien. Mochten wij, kinderen, op het veld achter het doel zitten.” Het zijn de dierbaarste herinneringen gebleven. Hoe mooi Jan Groenedijk kon juichen en als een grote blije loopvogel met uitgespreide vleugels over het veld rende na een treffer. De sensatie dat Elinkwijk DOS versloeg. Op DOS hadden ze het niet zo erg in noord. “Want DOS kan niks, zelfs niet degraderen”, zeiden ze er. Vanaf 1970 moest hij ook voor "die van DOS en Velox' juichen, want die twee financieel noodlijdende verenigingen hadden met de wel gezonde partner Elinkwijk besloten tot een fusie: FC Utrecht. De gang naar Galgewaard viel hem zwaar. Het is een Ajax-supporter naar de Kuip in Rotterdam sturen. “Ik ging er eigenlijk alleen naar toe om te zien hoe de jongens van Elinkwijk het zouden doen.” FC Utrecht speelde in die begin jaren sprankelend, Engels voetbal onder de bezielende leiding van Bert Jacobs. Er kwamen gemiddeld zestienduizend toeschouwers. De tegenstellingen waren snel vergeten.

Kers had zijn vaste plaats snel gevonden. Voelde zich thuis op de Bunnikzijde: een berucht vak. “Op de Bunnikzijde zoek je wat je in het gewone dagelijkse leven mist. Een soort monsterverbond tussen gevaar en geborgenheid”, schreef Vrij Nederland in 1982, een jaar nadat supporters het oude stadion Galgewaard hadden gesloopt. Martin Kers stond er altijd rustig tussen, zonder ooit zelfs maar betrokken te raken bij die uitingen van agressie. Hij had de zorg voor zijn kleine broertje dat vaak meeging. De eerste keer dat de ME het vak binnenstoof zocht hij snel een veilig heenkomen. “Maar bang in een stadion ben ik nooit geweest. Daar is geen reden voor. Ook nu niet.”

Het is al jaren rustig bij FC Utrecht. Desondanks is de supporter van die club nog altijd getekend door het verleden. Vroeger, toen hij als analist werkte bij de Rabobank, kon hij er openlijk voor uit komen dat hij aanhanger van die club was en geen enkele thuiswedstrijd oversloeg. Nu hij sinds drie jaar werkt als zelfstandig financieel bedrijfsadviseur en in keurig kostuum zijn relaties bezoekt is dat anders. “Ik zal uit mezelf niet tegen een klant vertellen dat ik een voetbalsupporter ben.” Bang erop te worden aangekeken en veroordeeld. Net zomin als hij spontaan zal onthullen een van de grootste Rolling Stones-fans van Nederland te zijn, die in 1982 maar liefst 25 concerten van ze bezocht. In de wereld waarin hij zijn geld verdient zijn het niet de gangbare gespreksthema's. “Maar ik tennis niet en golf vind ik saai. En van klassieke muziek hou ik helemaal niet.” Hij houdt van voetbal en wil dat beleven. Daarom ook zal hij nooit een business-seat huren, al zitten zijn potentiële klanten er. Een wedstrijd bekijk je vanachter het doel, niet vanaf de zijkant. “Dat is de beste plaats. Ze moeten naar je toe komen en van je af rennen.”

Hij ziet ze niet dikwijls meer van dichtbij. Dat middenveldspel, hè. Hij beoordeelt het spel ook anders. Afstandelijker dan voorheen. De tijd dat na een nederlaag de scheidsrechter het altijd had gedaan of de tegenstander vuil had gespeeld is voorbij. Moedigt de ploeg economisch aan: alleen als hij denkt dat ze het nodig hebben. Verder gaat hij ook naar het stadion om eens in de veertien dagen bij de thuiswedstrijd omdat hij dan de ouwe maatjes weer eens ziet. Bij onaantrekkelijke wedstrijden komen de speelkaarten tevoorschijn.

Want het voetbal is de laatste drie seizoenen onaantrekkelijker geworden. “Maar de gang naar Galgewaard is een automatisme. Omdat er daar altijd wel iets geks kan gebeuren. Dat blijft trekken.” Alleen naar thuiswedstrijden. De schaarse keren dat de club uitkwam in Europees verband ging hij niet mee. “Ik ga ook in Nederland niet naar uitwedstrijden. Die verliest Utrecht.”