Het verzuim van Kok

De heftige kritiek op de WAO-plannen van het kabinet richt zich bijna uitsluitend aan het adres van de PvdA. Het kader van die partij vindt dat ronduit onbegrijpelijk. Het CDA is immers net zo verantwoordelijk voor de harde ingrepen die een maand geleden bekend zijn gemaakt?

Toch hebben de sociaal-democraten het aan zichzelf te wijten dat hun partij binnen een maand ruim een miljoen stemmen is kwijtgeraakt. Veel kiezers voelen zich bedrogen. Gedurende een lange oppositieperiode - van 1977 tot 1989 - heeft de PvdA de indruk gewekt dat zij opkwam voor de uitkeringsontvangers. De door partijleider Den Uyl voorgestelde bezuinigingen op de Ziektewet tijdens de kortstondige regeringsdeelname in 1981-1982 heetten achteraf een vergissing.

De sterke groei van het aantal uitkeringsontvangers zou voortaan pijnloos worden gestopt door een succesvol werkgelegenheidsbeleid. De door centrum-rechtse kabinetten doorgesneden koppeling van de uitkeringen aan de stijging van de CAO-lonen zou worden hersteld. Dat alles was financieel haalbaar, aldus de toenmalige oppositie, bij een gelijktijdige verlaging van het financieringstekort, terwijl de collectieve lasten niet of nauwelijks omhoog hoefden om een fatsoenlijk stelsel van sociale zekerheid te financieren. Veel kiezers geloofden dit. Zij weten thans beter.

Vergelijkbare rozige uitgangspunten vormen ook de weinig solide basis van het eind 1989 gesloten Regeerakkoord. Het PvdA-congres sloot de ogen voor de economische werkelijkheid en ging gretig akkoord met hernieuwde regeringsdeelname. Het CDA wist van addernesten onder het begrotingsgras. De christen-democraten hadden echter zojuist de VVD afgedankt en zij zagen de kans schoon om nu de sociaal-democraten een toontje lager te laten zingen. De ruimte voor mooie dingen werd in het Regeerakkoord degelijk dicht getimmerd door de afspraak dat het tekort omlaag moest en de druk van belastingen en premies niet omhoog mocht.

Het CDA besefte dat het Regeerakkoord wegens verborgen gebreken en ingebouwde tegenvallers binnen de kortste keren op de helling zou moeten en zweeg stil. De PvdA-leider mocht naar Financien, graag zelfs. Hij zou hoe dan ook onherstelbaar beschadigd raken. Of omdat hij niet goed op de schatkist paste, of omdat hij door hardhandige bezuinigingen een groot deel van de traditionele PvdA-achterban van zich zou vervreemden. En zo is het gegaan.

Hoewel het nationaal inkomen in de eerste helft van de regeerperiode boven verwachting sterk groeide, bleken al na anderhalf jaar, bij het opmaken van de Tussenbalans (tuba), ombuigingen tot een totaalbedrag van 20 miljard gulden onvermijdelijk, waarvan ongeveer vier miljard gulden door de aanpak van uitkeringen aan zieken en arbeidsongeschikten. Met dit uitgangspunt ging een ruime meerderheid in het parlement afgelopen februari akkoord. Ook de PvdA-fractie stemde in met de tuba-plannen.

Links hield zichzelf voor de gek door tot het laatst toe vol te houden dat de noodzakelijke ombuiging haalbaar was zonder dat het mes gezet hoefde te worden in de duur of de hoogte van de uitkeringen. Half juli prikten de eigen bewindslieden eindelijk de zeepbel door. D66 houdt zich nog altijd van de domme. Die partij spint thans op haar beurt electoraal garen met de misleidende voorstelling van zaken dat harde ingrepen in de WAO te vermijden zouden zijn.

Na een maand van PvdA-politiek amateurisme zonder weerga, deelde de geplaagde partijleider zondagavond mee dat hij wil nadenken over alternatieven, mits deze bij benadering de door het kabinet ingeboekte 4,4 miljard gulden opleveren. Anders moeten de premies voor de sociale verzekeringen de komende jaren fors omhoog. Het gevolg is dat de druk van belastingen en premies - in strijd met het Regeerakkoord - stijgt. Kok, driftig bouwend aan het imago van degelijke schatkistbewaarder, neemt die schending van het akkoord niet voor zijn rekening. Hij verzuimt echter om duidelijk aan zijn achterban en de kiezers uit te leggen waarom de collectieve lastendruk niet omhoog mag.

Een stijging van de sociale premies - die worden ingehouden op lonen en uitkeringen - kost alle Nederlanders een stuk van hun koopkracht en verhoogt de loonkosten. Zowel ondernemers, beoefenaren van de vrije beroepen als werknemers proberen de heffing op andere deelnemers aan het economisch verkeer af te wentelen door verhoging van lonen en prijzen. Dit werkt de inflatie in de hand en bedreigt de concurrentiekracht van de Nederlandse economie. Nu de inflatie toch al sterk aantrekt, is het gevaar van hoge looneisen zeker niet denkbeeldig. Het kabinet is terecht beducht olie op het aanwakkerende inflatievuur te gooien door de sociale premies te verhogen.

Het peil van de loonkosten vormt een tweede argument tegen tariefverhoging. De loonkosten bestaan uit het netto loon, loonbelasting plus onze in Europa ongeëvenaard hoge sociale lasten. Door de hoge loonkosten is de vraag naar arbeid geringer dan anders het geval zou zijn. Een deel van de nog altijd hoge werkloosheid kan rechtstreeks aan het huidige loonkostenpeil worden toegeschreven. Nieuwe tariefverhogingen kosten banen. Lagere premies zijn ook van belang voor de maatschappelijke aanvaarding van de premieheffing, zodat minder zwart wordt gewerkt.

Kok moet de kiezers en zijn eigen kader alsnog helder uitleggen dat de groei van het aantal uitkeringsontvangers snijden in de sociale zekerheid onvermijdelijk maakt, als middel tégen inflatie en vóór meer banen. Tijdens de afgelopen maand is die boodschap ten onrechte niet uitgedragen, terwijl de media zich concentreerden op het schetsen van vreugdeloze portretten van in hun inkomen bedreigde WAO'ers. Het is echter ook in hun belang dat de collectieve sector van de Nederlandse economie wordt gesaneerd. Zo is er in latere jaren meer te verdelen, voor iedereen.