Geitenhouders Vrlika klaar voor de strijd

VRLIKA, 13 AUG. “Er zijn hier dit hele jaar nog geen doden gevallen”, zegt de politiechef van het Kroatische stadje Vrlika niet zonder verwondering. Toch is het hier vlakbij allemaal begonnen, op 17 augustus 1990, met de eerste Servische barricade, in wat ten slotte een bloedig conflict tussen Serviërs en Kroaten is geworden. Vorig jaar werden de drie plaatselijke dienders, doorkneed in het oplossen van kleine diefstallen onder de geitenhouders van deze kale streken en geweldsdelicten in de huiselijke sfeer, verrast door gewapende lieden die het drukke vakantieverkeer tussen de havenstad Split en de Kroatische hoofdstad Zagreb tegenhielden.

De vakantiegangers schitteren dit jaar door afwezigheid, maar in Vrlika is het beduidend drukker geworden op straat. Sinds een week of twee versterkt een eenheid van de Nationale Garde, het eigen leger van Kroatië, de hier gestationeerde Kroatische politieagenten. “We zijn er klaar voor”, zegt de politiechef, doelend op de hier door iedereen verwachtte hervatting van de vijandelijkheden. “Sinds de afkondiging van het staakt-het-vuren is het hier relatief rustig geweest. Maar normaal is de situatie niet. Wegen zijn afgesloten, treinen kunnen niet rijden. Het staakt-het-vuren is kunstmatig, we verwachten hun aanval.”

In Split, op het "crisiscentrum voor Noord- en Midden-Dalmatië' lijkt men de kans op een frontale aanval van Serviërs en het Joegoslavische leger wat genuanceerder te zien. “De bewegingen van het Joegoslavische leger geven te denken”, meent Jozo Mrsic, woordvoerder van het crisiscentrum. De chef van de crisisstaf is even weg, naar Zagreb, om over de instelling van een landelijk crisiscentrum voor de militaire verdediging van Kroatië te spreken. Net als de aanwezigheid van de Nationale Garde in Vrlika, is de instelling van crisiscentra in de Kroatische oorlogsgebieden nog maar twee weken oud - aanwijzingen voor de snelheid waarmee deze deelrepubliek, te elfder ure bijna, de Servische opmars nu een militair halt wil toeroepen.

“Als de aanval komt, dan niet hier maar in Slavonië”, meent Mrsic. “Niet op alle fronten tegelijk. Ik acht het niet onwaarschijnlijk dat het federale leger, dat na het vertrek van de meeste Slovenen en Kroaten hoe langer hoe meer een Servisch leger aan het worden is, nog één keer zal proberen de generaals en het Servische volk een succesje te laten zien.”

In Kroatië overheerst het gevoel dat de zich in snel tempo bewapenende Nationale Garde het karwei tegen de Serviërs nog wel kan klaren, maar tegen een massale inzet van troepen van het Joegoslavische leger weinig kans maakt. Bij Vrlika is de sleutelrol van het leger evident. “Achthonderd meter verderop staat het leger en het laat ons niet door”, vertelt de politiechef van Vrlika. Daar begint de "Krajina', het gebied waar de Serviërs zichzelf van Kroatië onafhankelijk hebben verklaard, en nog de oude, door Servische officieren gecontroleerde politie de dienst uitmaakt.

De situatie is echter gecompliceerd, want nog weer verder noordelijk ligt het dorp Kijevo, een Kroatische enclave in het door de Serviërs gecontroleerde gebied. Analoog ligt ten zuiden van Vrlika het Servische Otosic, dat zich per referendum bij de Krajina heeft aangesloten. “We laten ze zitten, met hun Servische militie daar”, zegt de politiechef van Vrlika. “We willen niet door provocaties een nieuwe strijd uitlokken, en bovendien lijken de dorpelingen er nog lang niet uit of ze wel werkelijk de banden met Vrlika willen doorsnijden. Het is allemaal zo onnatuurlijk, want hun school, hun bank, dat is allemaal hier.”

Het schoolgebouw huisvest nu de eenheid Nationale Garde, waarvan de omvang en de bewapening geheim blijft. De steile bergtop vlak naast het stadje is in handen van de Kroaten, zo laat men zich wel ontvallen. De andere pieken in de omgeving echter zijn door het Joegoslavische leger bemand. De loop van hun artillerie, vertelt de politiechef, staat op Vrlika gericht, aldus het schrikbeeld oproepend van een artilleriebombardement op het stadje in het dal. “Ik zou hier vanavond niet blijven”, waarschuwt de politiechef.

Vrlika ligt hemelsbreed maar zo'n vijftig kilometer van Knin, het bestuurlijk centrum van de Servische opstand. Voor wanneer is, met de toegenomen militaire kracht van Kroatië in de afgelopen veertien dagen, de veldtocht tegen Knin te verwachten? “Die is uitgesloten”, meent Mrsic van de regionale crisisstaf in Split. “Dat zou zelfmoord zijn. Tenslotte is in Knin nu een heel legerkorps gelegerd, en de Martic-mannen (gewapende Serviërs, aangevoerd door de politiechef van Knin, red.) zijn daar ook sterker dan ooit.”

De strijd, als hij na het staakt-het-vuren weer begint, zal er eerder een zijn van mobiele plaatselijke acties, zonder een duidelijk front. “Waarom zouden we niet gebruikmaken van de ervaringen van eerdere generaties in de partisanenstrijd”, meent Mrsic. De oude Kroatische strategie, waarbij politieagenten in hun bureau geduldig wachtten totdat ook dat werd beschoten en ingenomen, heeft afgedaan. De Nationale Garde gaat de vijand tegemoet, en boekte daarmee - volgens het crisiscentrum in Knin - voor het ingaan van het staakt-het-vuren vorige week al aardige successen. “Bij Kucevo hebben Martic-mannen zoveel verliezen geleden, dat hun moreel er volgens onze informatie aardig op is achteruit gegaan.”

“Redelijk rustig”, heet de toestand hier in Midden- en Zuid-Dalmatië. In de praktijk betekent dat een mortieraanvalletje hier, een schotenwisseling daar. Het zijn ruwe klanten die hier wonen, op de kale heuvels langs de kust, en die ook in vreedzamer tijden de geboorte van een kind of een huwelijk graag mogen vieren met wat vrolijke salvo's of het guitig ontsteken van een staafje dynamiet. Geïsoleerd geschiet of kleinere bomontploffingen komen daarom niet voor in het dagrapport van het crisiscentrum. Zo vernemen we dat het Joegoslavische leger nabij het door Kroaten bewoonde Polaca een stuk artillerie ter beschikking heeft gesteld van bewapende Serviërs. Het geschut wordt, volgens het dagrapport, bediend door de broer van de orthodoxe priester uit Benkovac.

“Op de dorpen van beide partijen hebben begrafenissen nu meestal 's nachts plaats”, vertelt de politiechef van Vrlika. “Men is bang elkaar te laten weten hoeveel doden er zijn, en wie er dood is.” Desondanks meent hij, met de leiding van het crisiscentrum, dat op den duur Serviërs en Kroaten in het gebied weer zullen samenleven. “Ze moeten wel”, denkt Mrsic. “Hoe kan Knin bestaan zonder de Kroatische omgeving?” Veel "gewone mensen', weet men, hebben helemaal geen behoefte aan het conflict, dat de vrucht is van de intriges van Servische politici in Belgrado. Vandaar dan ook dat de moeder van Milan Babic, de "minister-president' van het opstandige Servische gebied, door de Kroatische politie ongemoeid wordt gelaten.

“Ze woont en werkt onder Kroaten, niets aan de hand”, meent de politiechef. “En zoon Milan neemt maar de ene gijzelaar na de andere krijgsgevangene.” De plaatselijke onderhandelingen tussen de Kroatische politie en de Servische militie zijn overigens gestaakt, “want die hebben er toch alleen maar toe geleid dat er steeds meer wapens de Krajina zijn binnengekomen.”

Tegelijkertijd speelt, bij alle grote machtspolitiek tussen de Joegoslavische deelrepublieken, de geschiedenis zijn rol. De Servische enclave Otisic bij Vrlika wordt mede door de Kroaten ongemoeid gelaten, zo blijkt uit de gesprekken, omdat de Servische bevolking in de Tweede Wereldoorlog ooit eens de inwoners van een Kroatisch dorp heeft helpen vluchten, terwijl andere Servische dorpen hun steentje bijdroegen aan de wederzijdse slachtingen. Onder de brandende zon, tussen de geiten, wordt zoiets niet snel vergeten.