Er is meer aan de hand

Dat de sociaal-democratie zich overal in een crisis bevindt - een crisis die plaatselijke en tijdelijke verkiezingsoverwinningen niet kunnen maskeren - is bekend. Maar waarom moet die crisis zich juist in Nederland in zo dramatische en - als we de opiniepeilingen mogen geloven - zo catastrofale vorm uiten?

Het zou oppervlakkig zijn dit verschijnsel alleen maar toe te schrijven aan het falen van de leiding van de partij of van enkele personen in die leiding. Er is meer aan de hand. Waarschijnlijk moeten de oorzaken niet eens uitsluitend in de sociaal-democratische kring gezocht worden. Waarschijnlijk is de crisis in de sociaal-democratie symptoom van een wijdere cultuurcrisis.

Cultuurcrisis - dit woord wordt vaak te gemakkelijk in de mond genomen. Wanneer zijn er, in de laatste honderd jaar, tijden geweest waarin niet van cultuurcrisis gesproken is? En terecht, want de cultuur is voortdurend in overgang, dus in crisis.

De constatering dat de crisis in de sociaal-democratie een symptoom is van een wijdere cultuurcrisis, is daarom een dooddoener. Het komt erop aan te analyseren waarom die crisis zich op dit ogenblik juist in de sociaal-democratie manifesteert en, subsidiair, juist in de Nederlandse sociaal-democratie.

Hier maken we op dit ogenblik een samenloop van sociale, ideologische en persoonlijke factoren mee die die crisis juist bij ons zo acuut maakt. Daar is in de eerste plaats het verschijnsel dat de sociaal-democratie eigenlijk haar doeleinden heeft bereikt, al is dat vaak gebeurd doordat anderen haar kleren hebben gestolen. Welke idealen kunnen de massa's nog in vuur en vlam zetten?

Zeker, zoiets is ook gebeurd met de liberalen. Iedereen is tegenwoordig liberaal, in de zin dat het vrijheidsbeginsel overal heeft gezegevierd en alle heil niet meer gezocht wordt in overheidsingrijpen. Het gevolg is dat de eigenlijke liberalen naar de rand zijn gedrongen en niet te onderscheiden van conservatieven.

Is dat ook het lot van de sociaal-democratie? Het verschil is dat, zoals oud-minister Albeda in Trouw van 9 augustus schrijft, “de kracht van de neoliberale ideologie is gelegen in de aan de vrije economie inherente mogelijkheid van permanente verandering, waardoor aan technische en sociaal-culturele veranderingen geen belemmeringen worden opgelegd”. Met andere woorden: de liberalen zijn veel soepeler dan de sociaal-democraten en kunnen dus telkens de crisis overleven.

Maar dat beantwoordt nog niet de vraag waarom dit verschijnsel, dat algemeen is, zich juist in Nederland zo dramatisch voordoet. Komt dat doordat hier de verzorgingsstaat (Albeda spreekt liever van welvaartsstaat) te ver is doorgevoerd en daarom eerder zijn grenzen heeft bereikt dan elders? Of doordat bij ons, meer dan elders, nog iets van het besef is blijven hangen dat de mens niet alleen van brood zal leven?

In een artikel als dit kunnen zulke vragen op z'n hoogst gesteld, niet beantwoord worden. Wèl kan gezegd worden dat de sociaal-democraten hier als regeerders zijn geconfronteerd met de crisis van de welvaartsstaat en niet als oppositie.

Weliswaar bestond die crisis van de welvaartsstaat al lang voordat de PvdA weer regeringsverantwoordelijkheid op zich nam, en was zij door veel sociaal-democraten al even lang onderkend. Maar het is toch iets anders of je medeverantwoordelijkheid voor de oplossing voor die crisis op je neemt dan wel vanaf de zijlijn bekritiseert hoe anderen daarmee omspringen. Die verantwoordelijkheid heeft het dilemma voor de sociaal-democraten veel acuter gemaakt.

Geen reden voor tranen, want zij hebben die verantwoordelijkheid zelf gezocht. Anderen zullen zeggen dat hun regeergeilheid zo groot was dat zij er de afbraak van de welvaartsstaat voor over hadden. Dat is onbillijk, want het siert een partij wanneer zij verantwoordelijkheid op zich neemt in (voor haar) moeilijke tijden. Het dilemma wordt er echter niet minder door.

Dat dilemma neemt waarlijk dramatische vormen aan wanneer de voorman van de sociaal-democratie, een oud-vakbondsman, uitgerekend minister van financiën wordt. Is het in die functie dat hij voor het eerst met de wereld-zoals-zij-is heeft kennisgemaakt en tot de conclusie is moeten komen dat hij tot dusver dromen had verdedigd? In elk geval staat hij voor de vraag: hoe vertel ik het mijn kinderen?

En als Kok nu nog een door de wol geverfde politicus was, door alle wateren gewassen. Maar dat is niet zo. Hij is de eerlijkheid zelf, wars van alle trucs en slimmigheden waarin zijn voorganger, evenals trouwens zijn minister-president, meester was. Die kon het, althans tot op zekere hoogte, zijn kinderen vertellen! Koks onvermogen op dit gebied verhoogt slechts het dramatisch effect.

En er is, zoals in elk goed drama, geen echte uitweg. Wat zou het de PvdA baten als zij besloot het kabinet te verlaten? Er zouden dan verkiezingen komen en die zouden, althans volgens de opiniepeilingen, rampzalig voor haar uitvallen. Kortom, zij is verdoemd als zij blijft zitten, en verdoemd als zij opstapt. (Het enige wat in een klassiek drama niet voorkomt, zijn hoofdfiguren die met vakantie zijn.)

Evenmin als er reden voor tranen is, is er reden voor leedvermaak. Want de stabiliteit van de Nederlandse politiek is er niet mee gediend als een grote, gevestigde partij in een diep, zwart gat valt. Een alternatief is er niet, want D66, dat er 't meest van zou profiteren, kan niet als gevestigde, in de samenleving gewortelde partij gelden. Trouwens, het zou de grootste moeite hebben de leeggekomen plaatsen - niet alleen in het parlement - met gekwalificeerde mensen te vullen.

Maar niet iedereen zal naar D66 lopen. Misschien zullen nog wel meer mensen besluiten helemaal niet naar de stembus te gaan. Dan zouden de grondslagen van de democratie direct worden aangetast. Geen politieke crisis dus, maar een crisis van het systeem. Maar het systeem is een weerspiegeling van de cultuur. Dus toch een cultuurcrisis? In elk geval grote instabiliteit.