Een broodvisser leeft vooral van de vrijheid

Het aantal beroepsvissers in de Nederlandse binnenwateren is sterk geslonken. Sportvissers, watervervuiling, aalscholvers en een onverschillige overheid bedreigen het voortbestaan de 300 vissers die nu nog hun boterham verdienen met de vangst van paling en snoekbaars. Een mooi vak, ondanks alles, maar hoe lang nog?.

Hollandser kan het niet. Over de Westeinderplassen waait een harde westenwind. Witte stapelwolken drijven snel voorbij en op het water dansen schuimkoppen. De Duc in Altum ploegt zich door de golven. In de krappe stuurhut van het kleine stalen schip staan Rekelhof senior en zijn zoon, in gele oliepakken. Op het voordek is een bun gemonteerd, een net dat in open verbinding staat met het water en waar de paling bewaard wordt. Achter het schip dobbert een vlet die eveneens met een bun is uitgerust.

De Duc, wat de naam precies betekent weten ook de eigenaren niet, legt aan bij een klein eilandje. Vandaar gaan we verder met de vlet, die geschikter is voor het lichten van de fuiken. De vangst is wisselend. In sommige fuiken zit een knoedel kronkelende palingen. In andere is alleen maar witvis gezwommen, een fuik is de dood geworden van een eend. Alles bij elkaar is het niet slecht: zo'n twintig pond paling. Daar staat tegenover dat er een fuik kapot gevaren is. De schade drukken de Rekelhofs uit in tijd; boeten, het repareren van netten, doen ze zelf.

Vader en zoon Rekelhof hebben bovendien een beug of reep uitgezet: twee kilometer lijn met om de paar meter een haak. Als aas dienen kleine visjes. Rekelhof junior, die werkzaam is op de "Grote Vaart' maar regelmatig helpt, graait met een lange pikhaak over de bodem - een stok was te vaak een uitnodiging voor stropers gebleken. Het is meteen raak, aan de eerste haken hebben zich palingen vastgebeten. De Rekelhofs tellen. De afspraak is dat de riemen om de tien palingen moeten worden overgenomen. Vier keer wisselen vader en zoon van plaats. De grootste van de palingen zijn polsdik, bijna een meter lang en anderhalve kilo zwaar. Bij elkaar is het nog eens vijfentwintig pond.

Er zijn ongeveer 300 binnenvisserijbedrijven in Nederland. Dat is het schamele restant van de ongeveer 1.600 bedrijven waarmee Nederland de oorlog uitkwam. Het overgrote deel van de bedrijven is te vinden in de waterrijke provincies in het westen en noorden van het land. Ongeveer de helft van de binnenvissers leeft alleen van de visserij, de anderen doen er wat bij omdat ze het anders niet redden. Rietsnijden is de belangrijkste aanvullende inkomensbron, maar allang niet meer de enige. Tegenwoordig zijn er ook vissers die rondvaarten organiseren, een jachthaven exploiteren, sluizen bedienen of waken over de jacht.

De binnenvissers bevissen kanalen, rivieren, meren en slootjes. Het IJsselmeer is het domein van een groep vissers, die zich duidelijk van de binnenvissers onderscheiden. De IJsselmeervissers vangen spiering, hanteren andere vangstmethoden en hebben andere problemen - tot voor kort hing hen bij voorbeeld een vangstbeperking boven het hoofd, iets waarmee de binnenvissers nooit mee te maken hebben gehad. De binnenvissers hebben dan ook hun eigen belangenorganisatie. Bij de in 1971 opgerichte Combinatie van binnenvissers, die de vissers uit eigen zak betalen, is nagenoeg iedereen aangesloten. Op lokaal niveau hebben de vissers zich in bonden georganiseerd.

Veel van de overgebleven 300 bedrijven balanceren op het randje van de afgrond. Ongeveer de helft van de vissers moet genoegen nemen met een inkomen van ongeveer 25.000 gulden. Dat is tenminste de schatting van de Combinatie, onderzoek naar de bedrijfseconomische situatie van de binnenvissers is tot nu achterwege gebleven. Uit de totale omzet van de bedrijfstak, jaarlijks ongeveer 25 miljoen gulden, valt echter wel af te leiden dat er ook vissers zijn die het helemaal niet slecht doen. Dat neemt niet weg dat de binnenvisserij als bedrijfstak moeilijke tijden heeft doorgemaakt.

Pag.12:

Vervuiling en recreant bedreigen de beroepsvisser; Het kan vandaag een gouwe of een ijzeren dag zijn

De meeste binnenvissers in Nederland zijn in hoofdzaak afhankelijk van palingvangst. Maar de laatste jaren is het aanbod van glasaal - jonge paling - voor de Nederlandse kust sterk afgenomen. De oorzaak daarvan is niet helemaal duidelijk, maar de vervuiling van de zee speelt volgens de binnenvissers zeker een rol (net zoals de vervuiling van de Nederlandse binnenwateren de kwaliteit van de visstand aantast). De overgebleven glasaal heeft bovendien moeite om de Nederlandse wateren binnen te komen. Ze vinden hun weg versperd door dammen en sluizen, waarvan er de laatste jaren steeds meer zijn bijgekomen.

Rekelhof senior zegt duidelijk te merken dat het met de glasaal of montee bergafwaarts gaat. Kleine paling vangt hij veel minder dan vroeger. De fuiken illustreren zijn betoog, er is nauwelijks een paling die onder de wettelijk vereiste minimumlengte van 28 centimeter blijft. Om de visstand toch enigzins op peil te houden zet de Organisatie voor de Binnenvisserij glasaal, onder andere afkomstig uit Frankrijk, uit.

Rekelhof die net na de oorlog het bedrijf van zijn vader overnam, zegt dat hij tegenwoordig ongeveer de helft minder vangt dan pakweg vijftien jaar geleden. Landelijke cijfers zijn er niet, maar de Combinatie is ervan overtuigd dat de palingstand flink is teruggelopen.

Het vissen met fuiken kent een belangrijk nadeel. Het komt niet zelden voor dat ze kapot gevaren worden of zelf helemaal verdwijnen. De laatste jaren schommelt de schade van de acht leden van de Aalsmeerse bond van binnenvissers zo rond de 10.000 gulden. Voor de hele bedrijfstak zal dat enkele tonnen zijn. Onmogelijk in cijfers uit te drukken is het verlies als gevolg van illegaal gelichte fuiken. Duidelijk is wel dat het regelmatig gebeurt en de laatste jaren is toegenomen.

Een alternatief voor het vissen met netten is de elektrovisserij. Hierbij wordt het water via twee polen onder stroom gezet. De vis zwemt in de richting van de positieve pool, raakt verdoofd en kan vervolgens eenvoudig uit het water worden geschept. Inmiddels heeft deze wijze van vissen op ruime schaal ingang gevonden. Zestig procent van de binnenvissers heeft de eendaagse cursus van de Organisatie voor de Binnenvisserij gevolgd. De secretaris van de Combinatie, dhr. van Santvoort, verwacht dat de rest op korte termijn zal volgen.

Na de paling is voor meeste binnenvissers de snoekbaars de belangrijkste vissoort. De snoekbaars brengt afhankelijk van de concurrentie uit het buitenland tussen de 8 en 13 gulden per kilo op. Verreweg het grootste deel verdwijnt als consumptievis naar het buitenland, vooral naar Frankrijk, Duitsland en Zwitserland

Maar ook de snoekbaarsvisserij heeft een gevoelige klap gekregen. In 1971 verhief de toenmalige minister van Landbouw en Visserij de splitsing van viswater tot beleid. De paling zou voor de beroepsvisser zijn, de schubvis waaronder de snoekbaars voor de hengelsport. Voor de Combinatie bestaat er geen enkele twijfel; de overheid zwichtte voor de lobby van hengelsportbonden die met hun honderdduizenden leden veel meer gewicht in de schaal legden dan het handjevol binnenvissers. Vooral in Friesland, waar staat en lagere overheden het grootste deel van het viswater in eigendom hadden, werd de splitsing rigoreus doorgevoerd. Elbertus Willem Visser, voorzitter van de Friese bond van binnenvissers, kan er nog boos om worden. Hij omschrijft het optreden van de overheid als chantage.

De gevolgen van de gesplitste bevissing waren volgens Visser catastrofaal. Omdat er geen binnenvissers meer waren die de hoeveelheid snoekbaars binnen de perken konden houden, nam de brasemstand explosief toe. De brasems woelden de bodem om op zoek naar muggelarven, waardoor de tot rust gekomen zware metalen weer in het water terecht kwamen. Bovendien bloeiden de algen omdat hun natuurlijke vijand, de muggelarf, werd opgevreten door de brasem. Tenslotte had ook de paling te lijden onder de enorme hoeveelheden brasem; wat grotere muggelarven zijn een belangrijke bron van voedsel voor de paling.

De vissers die niet getroffen werden door de splitsing, hebben de laatste jaren te kampen met een bedreiging uit onverwachte hoek: de aalscholver. Het probleem speelt vooral in Noordwest-Overijssel, waar het aantal aalscholvers sterk is toegenomen. Wiek Smit die met veertien collega's het gebied van de Weerribben en Wieden bevist, hoeft het onderzoek van Natuurmonumenten die eigenaar is van het water, niet af te wachten. Hij weet het zeker. De 1.000 paar aalschovers - in 1984 waren het er nog 300 - zijn geduchte concurrenten. Per dag plukken de in groepen jagende vogels 2.000 kilo vis, waaronder veel kleine snoekbaars, uit het water. Het aandeel van de snoekbaars in de omzet van het bedrijf van Wiek Smit is sinds 1984 van 50 naar 5 procent gekelderd.

Tegenwoordig zien de beroepsvissers de sportvissers niet alleen meer als concurrenten. Verschillende binnenvissers leveren brasem aan hengelsportverenigingen in het Zuiden van het land en België, die niet over open wateren beschikken. Tegelijkertijd huren andere hengelsportverenigingen steeds vaker beroepsvissers in om juist een teveel aan brasem in hun wateren weg te vangen en zo de visstand in evenwicht te brengen.

Maarn ondanks deze kontakten beschouwt de binnenvisserij de recreatieve visserij vooral als een bedreiging. In het kader van de Haagse plannen om het ambtenarenbestand uit te dunnen, zijn maatregelen voorgesteld die volgens de voorzitter van de Combinatie de doodklap voor de binnenvisserij zullen zijn. De Kamer voor de binnenvisserij - waarin sport- en beroepsvissers en waterschappen vertegenwoordigd zijn - moet verdwijnen. De al afgeslankte Kamer bemiddelt bij de verhuur van viswater, bepaalt wie het viswater mag huren en voor hoeveel. Het advies van de Kamer is bindend.

Ade Kamer verdwijnt, zo verwacht de Combinatie, dan kunnen eigenaren van viswater hun eigen gang gaan. De markt zal uitmaken aan wie viswater verhuurd zal worden. De binnenvisser zal het dan al snel moeten afleggen tegen kapitaalkrachtiger mededingers, zoals grote verzekeringsmaatschappijen, rijke particulieren of hengelsportverenigingen. Lokale overheden zouden kunnen besluiten om de natuur het alleenrecht te geven en de binnenvisser te weren.

Volgens de Tussenbalans zullen ook de visserijkundige ambtenaren moeten verdwijnen. Volgens de Combinatie zou dat een gevoelige aderlating zijn, waardoor de binnenvissers nog verder in hun positie verzwakt zullen worden. De visserijkundig ambtenaren moeten het door het rijk geformuleerde beleid voor de binnenvisserij omzetten in provinciale plannen. Als er een streek- of waterhuishoudkundig plan wordt gelanceerd, dan is het de taak van de visserijkundig ambtenaar om te wijzen op de gevolgen voor de binnenvisserij. Verdwijnen de ambtenaren, dan zullen de binnenvissers er bekaaid vanaf komen, vreest de Combinatie.

Ten slotte zijn er plannen om vijf formatieplaatsen bij het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek te schrappen. De drie overgebleven ambtenaren zijn er voor IJsselmeervissers. Als de plannen doorgaan, dan zullen de binnenvissers het zonder ondersteuning van het RIVO moeten doen. En dat is volgens de Combinatie de derde dreun in successie. Want onderzoek naar de visstand en de kwaliteit van het water zijn voor de binnenvisserij van groot belang.

Al deze maatregelen lopen vooruit op de door de minister aangekondigde structuurnota voor de binnenvisserij. Wanneer die zal verschijnen is nog onduidelijk. Voor de Combinatie is wel duidelijk dat als de in de Tussenbalans voorgestelde bezuinigingsmaatregelen doorgang zullen vinden, er van de binnenvisserij weinig over zal blijven. Zeker de helft van de bedrijven zal het loodje legen, denkt de Combinatie. De reactie van de Combinatie, bij monde van haar secretaris, op het overheidsbeleid laat weinig te raden over: “Gelet op de achtergestelde positie van de beroepsbinnenvisser in Nederland, waarin hij gedoogd wordt zijn beroep uit te oefenen zonder daarbij enige mate van zekerheid en perspectief te hebben, is het niet aanvaardbaar dat de overheid deze bedrijfstak in de steek laat of, beter gezegd, een trap na geeft.”

Rekelhof junior ziet ondanks alles wel brood in de binnenvisserij. Het is een mooi vak: vrijheid, natuur en onafhankelijkheid van een baas. Hij wijst naar zijn vader die, de vijfenzestig gepasseerd, maar niet kan stoppen. Bovendien is het iedere keer weer spannend wat er in de fuiken gezwommen is. Het kan een gouwe of een ijzeren (dag) zijn, zeggen de binnenvissers. Vandaag zat het er ergens tussen in.