Communicerende vaten; Albanie

Nobelprijswinnaar prof.dr. J. Tinbergen wordt nooit moe het argument te herhalen. Als de economisch hoogontwikkelde landen er niet voor willen of kunnen zorgen dat het armere deel van de wereld in de welvaart deelt, komen de sloebers deze wel halen.

De praktijk heeft zijn gelijk aangetoond. Steeds meer "economische vluchtelingen' uit de Derde wereld weten de weg naar het Westen te vinden. Alleen de vaak grote afstand houdt de aantallen nog relatief klein, maar groot genoeg om in Noord-Amerika en Europa een lichte paniek te veroorzaken.

Europa kent nu een eigen variant op dit verschijnsel. Het wegvallen van het IJzeren Gordijn heeft de gang naar de vleespotten in het westelijke deel van het oude continent gemakkelijk gemaakt. De burgers van de voormalige communistische landen hebben genoeg van sappelen en mooie beloften. Wie in West-Europa in één dag meer kan verdienen dan in het eigen land in één week, of zelfs in één maand, zal wel gek zijn die kans niet te grijpen. Is dit tegen te houden en moet dat?

De wereld is door de moderne communicatie een "global village' geworden en na de proletariërs van de ontwikkelingslanden eisen nu hun Oosteuropese lotgenoten in de ongedeelde "continentale stad' die Europa is geworden, verbetering van hun positie. De sociaal-economische wet van de communicerende vaten die eerder binnen Westerse landen heeft bijgedragen tot herverdeling van de rijkdom via de verzorgingsstaat, lijkt ook op Europese en mondiale schaal te gelden.

De invasie uit het oosten heeft ware paniekreacties in West-Europa teweeggebracht. De Duitsers patrouilleren scherp aan de grens met Polen om aan de andere zijde bivakkerende gelukzoekers uit het vroegere Oostblok te verhinderen de oversteek te wagen. En de Duitse regering bereidt een pijnlijke beslissing voor: wijziging van de grondwet om het ruimhartige asielbeleid, dat als een soort genoegdoening diende voor het geleden leed in de nazitijd, in te perken.

De Italianen hebben zelfs een deel van de vloot de zee opgestuurd om de hongerige en wanhopige Albanezen van hun kust te houden en wie er toch in slaagt binnen te komen, wordt onverbiddelijk teruggestuurd.

Dat een oorlogsschip de naam Euro draagt, roept wrange gedachten op. Zover is het gekomen in een Europa dat nog maar kortgeleden zwolg in een euforische roes van Europese eenwording via de Europese Gemeenschap, de Raad van Europa en de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE). Een gemeenschappelijke rechtsorde, open grenzen en economische en politieke integratie waren de pijlers waarop deze "onontkoombare' ontwikkeling zou moeten rusten.

Het eerste stadium hiervan kan als mislukt worden beschouwd, de fase van een zichtbare economische verbetering, die de inwoners van Oost-Europa het perspectief had moeten bieden dat zij na een afzienbare periode van hard werken er weer bovenop zouden komen - vanzelfsprekend met royale hulp uit het Westen. In geen enkel Oosteuropees land is dit perspectief aanwezig. Economisch gezien zijn het ramplanden en Albanië lijkt zelfs op weg naar de collectieve ondergang.

Over steun wordt weinig vernomen, op de miljarden na die van West- naar Oost-Duitsland zijn gevloeid. De "Oost-Europabank' van het Westen is sinds de instelling ervan vooral in het nieuws gekomen wegens het hoge salaris van haar directeur. Smeekbeden, onder andere van Sovjet-leider Gorbatsjov, om investeringen en hulp worden afgedaan met de redenering dat eerst het economische roer drastisch om moet - de bekende kip-ei-discussie.

Gealarmeerd door de laatste Albanese exodus heeft de Europese Commissie zich gisteren bereid verklaard eerder aan dit verpauperde land toegezegde noodhulp te verdubbelen tot 10 miljoen gulden. Bevoegdheden om meer te doen heeft het "dagelijks bestuur' van de EG niet. Italië is de schrik zo in de benen geslagen dat het de komende maanden voedsel en andere levensbehoeften naar Albanië zal sturen ter waarde van tweehonderd miljoen gulden. Maar deze bedragen staan in geen verhouding tot de nood en de behoeften ter plekke. Het wachten is op de daadkrachtige besluiten van Europese ministerraden en van de groep van 24 Westerse landen die zich eerder met hulp aan Oost-Europa hebben bezig gehouden.

Hoe groot moet de uittocht uit het Oosten (en het Zuiden) worden voordat serieuze ontwikkelingsplannen worden gesmeed, voordat markten genereus worden geopend voor Oosteuropese (landbouw)produkten, voordat op grootscheepse wijze de economische Oost-West- en Noord-Zuid-problemen worden aangepakt? Of zullen de volksverhuizingen het vraagstuk op den duur vanzelf oplossen? Tenslotte gebeurt dat ook zo met communicerende vaten.