Brood

De tram voert mij door een van die nauwe straten waarin alle lijnen rechtlopen behalve waar de huizenrij verzakt is; zo'n straat waarin niemand vrijwillig gaat wonen.

Juist als de tram opnieuw optrekt herken ik de zaak die mij onlangs met zijn geuren binnenlokte. Bij het verlaten van het pand had ik onder de arm twee Turkse broden gedragen van een kwaliteit die mij nu spontaan doet watertanden. Ik ruik gekruide olijfolie en probeer door gericht slikken het plotse grommen van mijn maag te dempen.

Van stoppen is helaas nog lang geen sprake. Deze buurt is te lelijk voor veel haltes. Was het brood wel lekker genoeg om langs die dichtgetimmerde deuren terug te lopen en straks uitputtend lang vol te houden dat tramhuisjesreclame mij inspireert? Mijn maag zet een nieuwe aanval in. Ik stap uit.

Als ik bij het naderen van de winkel geen teken van leven zie, ga ik langzamer lopen: het zal na zessen zijn. Ik had nooit uit die tram moeten stappen. Rest mij alleen de hoop dat er nog iemand de kas zit te tellen of de vloer aanveegt: iemand die denkt in een taal waarin geen woord bestaat voor winkelsluitingswet.

De zaak zit vol mannen op klapstoeltjes rond witte, plastic tafeltjes. Als ik de deur open, word ik omhuld door een wolk die geurt naar vers gebak en koffie. Boven de tabaksdamp en het geroezemoes klinkt uit twee boxen de stem van een zangeres die het heimwee naar Turkije voedt.

Het overschrijden van de drempel is geen overtreding want niemand onderbreekt zijn gesprek. Naast sommige koffiekopjes staan schoteltjes met van honing druipende zoetigheden. Dat ik mij tussen de bezette stoelen manmoedig een weg naar de toonbank baan die nu in de verste hoek staat weggeschoven, is evenmin de moeite van het opkijken waard. Onder al die snorren, wenkbrauwen en mutsjes zoek ik het ene gezicht dat mij bekend moet voorkomen.

Van een der stoeltjes maakt zich zonder haast een mij onbekende man los die al pratend achteruit begint te lopen en pas, als hij zich achter de toonbank heeft gewrongen, het gesprek met zijn tafelgenoten staakt om mij aan te kijken. Op mijn vraag of hij nog brood heeft antwoordt hij met een tegenvraag: “Hoeveel?”

“Twee graag,” zeg ik.

“Twee? Misschien.” De bakker daalt een keldertrap af en komt boven met een plat, rond brood van het formaat dat ik herken en een veel kleiner exemplaar dat van het restje deeg gebakken moet zijn. Hij lacht.

Ik geef een teken geen plastic tasje nodig te hebben. Met een lege maag om half zeven 's avonds dit geurende, kersverse brood aangereikt te krijgen, betekent maar een ding: aanvallen zodra de beleefdheid het toelaat. Ook het vierkante vloeipapier wimpel ik af. Ik wil zonder tussenkomst van enige verpakking de warmte van het brood tegen de huid van mijn hand voelen; een genot dat de inheemse bakker mij nooit verschaffen kan omdat die zijn waar niet onverpakt mag afgeven.

Het zit mij niet mee vandaag. Dit brood zal nooit het mijne worden. Ik staar naar mijn portemonnee of hij mij verraden heeft en begin te roepen dat het niet kan, dat ik geen geld bij me heb.

Geen van de aanwezigen lijkt mij gehoord of verstaan te hebben. Ook de Nederlandse woordenschat van de bakker zelf is beperkter dan ik verondersteld had want hij blijft mij zijn broden met een glimlach aanreiken. Nog heftiger schud ik van nee. Ik houd hem mijn geopende beurs voor maar de bakker blijft daar zo blind voor dat het eindelijk tot mijn doordringt dat niet hij een taalprobleem heeft maar ik.

In grote verlegenheid pak ik de broden aan. Deze man heeft mij nooit eerder gezien en toch geeft hij mij gratis zijn broden mee. Hij zegt niet eens "dat komt de volgende keer wel'.

Ik keer mijn portemonnee om: er vallen drie dubbeltjes uit. De bakker schuift de muntjes bij elkaar, vangt ze aan de rand van de toonbank in het kommetje van zijn hand en geeft ze mij vriendelijk terug.

Nauwelijks buiten scheur ik mijn tanden een stuk van het brood. Het smaakt hemels. Pas als ik de tram hoor die mij van hier zal voeren zie ik de buurt weer. De straat is bijna mooi geworden.