Betekenis bestaat niet Yang, 27ste jrg. nr. 1. ...

Betekenis bestaat niet Yang, 27ste jrg. nr. 1. Uitg. Hans Vandevoorde, Brugge. Prijs van een los nummer ƒ 17,- Vogeltjes De Zingende Zaag. Tijdschrift in Aandelen voor Poëzie, Beeldende Kunst en Brieven, nummer 12. Uitg. De Zingende Zaag, Haarlem. Losse nummers ƒ 15,- Herinnering Maatstaf 1991 nr. 7, uitg. De Arbeiderspers. Losse nummers ƒ14,50

Betekenis bestaat niet

Yang heeft een themanummer over een aantrekkelijk onderwerp: artificiële intelligentie. Het is helaas niet zo'n aantrekkelijk nummer geworden. De Inleiding is al schrikaanjagend. Daarin wordt over "de postmodernist Barthelem' beweerd: “betekenis bestaat bij hem uitsluitend binnen de tekst en tegelijk uitsluitend ook daarbuiten.” Misschien is zo'n uitspraak door een kunstmatige intelligentie te begrijpen, maar voor een door de natuur ontworpen mens is het erg moeilijk. Het verhaal "De verklaring' van Donald Barthelme verheldert niet veel. Het is in de vraag-antwoord vorm die door een van de deelnemers geprezen wordt om zijn voordelen “[ik] besef dat hij veel waardevolle omissies mogelijk maakt: wat voor dag het is, wat ik aan heb, wat ik denk.” "Waar het verhaal over gaat', zou je nog aan dit rijtje kunnen toevoegen. De verhalen van Stefan Hertmans en Huub Beurskens zijn weliswaar veel begrijpelijker maar toch ook bepaald niet om te juichen. Het verhaal van M. Februari heeft het voordeel dat het goed geschreven is en heerlijke hautain-geestige zinnen bevat.

Eén artikel in dit nummer maakt echter weer heel veel goed, het stuk van P. Kralt over Gerrit Krols roman De man achter het raam. Kralt begint met een serie representatief gekozen onbegrijpelijkheden en ogenschijnlijke tegenspraken op te noemen uit deze roman die gaat over, als je dat zo zeggen kunt, een computer, die verlangt menselijk te worden, dat ook wordt en ten slotte moet sterven. Uiteindelijk blijft er niet meer dan een rode lamp van hem over. Krol vat het verhaal in de proloog als volgt samen: “Dit is het verhaal over een man die zijn hele leven in een stoel zit. Die man is een wereld op zich. Hij is een programma dat zowel zijn waarnemingen als zichzelf verwerkt. Hij verandert dus voortdurend. Daarom zit hij zo rustig. Hij beleeft genoeg.” Nadat Kralt zijn eigen verwarring, die de verwarring van iedere lezer is, heeft laten zien, licht hij een paar belangrijke citaten uit de roman met betrekking tot God. Goddelijkheid en tijdloosheid, met die twee begrippen gaat hij het boek te lijf. Hij ordent en schift en denkt en vraagt en is helder en intelligent en meeslepend. Na lezing van dit artikel wilde ik meteen weer De man achter het raam lezen en niets meer in Yang, behalve het artikel van Kralt nog eens als ik Krols roman weer uit zou hebben. Wat een mooi stuk.

Yang, 27ste jrg. nr. 1. Uitg. Hans Vandevoorde, Brugge. Prijs van een los nummer ƒ 17,-

Vogeltjes

“Deze zomer (-) tekende ik plotseling 300 vogeltjes, die ik U wil laten zien,” schreef de dichter Chr. J. van Geel op 8 september 1960 aan Willem Sandberg, de directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. In 1961 stelde het Stedelijk Museum een tentoonstelling samen uit schilderijen, collages, gevonden voorwerpen en tekeningen. In De Zingende Zaag zijn een paar tekeningen van Van Geel te zien, niet die ooit tentoongestelde maar juist nog nooit eerder getoonde. Op twee ervan zijn de typische Van Geel vogeltjes te zien, vogeltjes die van binnen nog weer een ander vogeltje herbergen dat bijvoorbeeld precies de andere kant op kijkt. Guus Middag bezorgde nog een brief van Van Geel aan Sandberg en schreef bij het geheel een korte toelichting.

De Zingende Zaag wemelt deze keer van de vogels en vogeltjes. In een ingeplakt plastic hoesje vindt de lezer een donsveertje dat moet worden opgevat als een "Ode aan Chr. J. van Geel' door Janine Kaganskii. De inleiding tot het nummer heet "Over de ondraaglijke schoonheid van een zwaan in volle vlucht' en daarin is sprake van gefiguurzaagde ganzen en van daartegen protesterende "Wijkkunstenaars' die vertegenwoordigd worden door "een van die bruisende dertigers die de tijdgeest in hun pocket hadden'. Nee dan de dichters in deze Zaag! George Moormann heeft er hoge verwachtingen van.

Dat valt tegen. Doro Franck, die, volgens de redactie, ingaat op "de oorsprong van de taal', publiceert een proza-gedicht getiteld "Een koekoeksei'. Er staan zinnen in als: “TAAL- een huis of een bos. Zij woont niet in ons maar- wij wonen in haar.” Of dat nu werkelijk zo anders is dan het verafschuwde gekwaak, gepiep en gekoekoek van de Wijkkunstenaars uit de Inleiding van Moormann? Er is veel (post)moderns te vinden in deze Zaag, maar behalve de vogeltjes van Van Geel is er eigenlijk maar een ander aantrekkelijk vogeltje, dat van Wilfred Smit. Het gaat zo:

Dit vogeltje zit zomaar hier en overdwars te fluiten, van deze soort zijn er maar vier, éen boven, éen opzij, éen onder en éen buiten.

Een aardigheidje, ooit eens spontaan neergeschreven op een avond bij vrienden. Het heeft in ieder geval geen pretenties en dat is al heel wat.

De Zingende Zaag. Tijdschrift in Aandelen voor Poëzie, Beeldende Kunst en Brieven, nummer 12. Uitg. De Zingende Zaag, Haarlem. Losse nummers ƒ 15,-

Herinnering

Wat herinnert iemand zich? Als hij zijn best doet heel veel. Rudy Kousbroek vergeleek pogingen om zich iets te herinneren eens met het vangen van vissen: door dikwijls in het geheugen netten uit te gooien en veel herinneringen boven te halen vergroot men de kans om tussen allerlei bekends af en toe, als een zeldzame vis, een geheel vergeten herinnering aan te treffen. In Maatstaf schrijft Jaap van der Bent over de manier van herinneren die Kousbroek een keer overnam van Georges Perec, die zich op zijn beurt weer had laten inspireren door de Amerikaan Joe Brainard. Brainard deed het zo: “Ik herinner me Greyhound bussen in de nacht.

Ik herinner me dat ik me afvroeg waar de buschauffeur aan dacht.

Ik herinner me verlaten stadjes. Groen getinte ruiten. En neonlichten op momenten dat ze uitgaan.

Ik herinner me (volgens mij) in één bus lavendelblauw getinte ruiten.

Ik herinner me omgevallen driewielers op gazons voor huizen. Sneeuwbesstruiken. En plastic eendenfamilies.''

Het boek van Brainard heet I remember, dat van Georges Perec Je me souviens. Kousbroek deed het een keer in het klein in NRC Handelsblad onder de titel "Ik herinner me'. Het artikel van Van der Bent "Wie herinnert zich wat?' gaat in op de verschillen en overeenkomsten in de herinneringen van de drie. Kousbroeks herinneringen vindt hij nogal chic, omdat die zich zijn plusfours herinnert en zijn "pandjes, later opgevreten door de motten'. Wat er zo chic is aan een mottig rokkostuum is mij een raadsel, maar de duffle coats en Davy Crockett bontmutsen van Perec en Brainard zijn blijkbaar veel eenvoudiger. Verder valt hem op, en dat mag wel verbazing wekken, dat alleen Brainard erotische herinneringen heeft. Bij Kousbroek vindt Van der Bent op het seksuele vlak alleen "Kitty's regenjas' en Perecs herinneringen zijn "zelfs helemaal seksloos'. (De seksualiteit van de regenjas. Nooit over nagedacht.)

Het is een aardig en aanstekelijk stuk over vooral Joe Brainard en over de lust tot herinneren. Wie het leest krijgt zin meteen een potlood te pakken en aan de slag te gaan: Ik herinner me zwarte kaplaarzen en hoe mijn vriendinnetjes witte hadden. Ik herinner me een rode schooltas die een keer nat werd en van karton bleek te zijn. Ik herinner me vijf cent zwart op wit. Ik herinner me....

“Maar met een wenk van mijn brauwen verbood ik een elk het geweeklaag- en gaf mijn mannen bevel het mooi in zijn wol zittend kleinvee- snel in het vaartuig te laden en 't zilte nat te doorklieven.” Dit zijn maar een paar regels uit de Odyssee-vertaling van H.J. de Roy van Zuydewijn, die volgend jaar zal verschijnen. Eerder vertaalde hij de Ilias en nooit nog klonk Homerus' Grieks zo ritmisch en weelderig in het Nederlands. "Een wenk van mijn brauwen', "het goed in zijn wol zittend kleinvee' - uitspraken om te onthouden. Daar kan je een leven lang plezier van hebben.

Het portfolio van Maatstaf is gewijd aan de zeer vage bekendheid van Joseph Conrad met de door Van Gogh geschilderde Dr. Gachet. In de tekst wordt de vraag gesteld of Conrad nu wel of niet van de toenmalige moderne kunst hield en of de afgietsels van misdadigersschedels die dr. Gachet in huis had hem aan een gekkenhuis deden denken of de schilderijen die er aan de muur hingen.

Maatstaf 1991 nr. 7, uitg. De Arbeiderspers. Losse nummers ƒ14,50