Bank opereerde in Pakistan zonder zorg over belastingen; BCCI's sluier van liefdadigheid

De BCCI gebruikte in haar land van oprichting een sluier van liefdadigheid, nationalisme en vroomheid om te ontkomen aan het betalen van tientallen miljoenen dollars belasting. Wel schonk de bank in 1988 en 1989 miljoenen dollars aan een particulier instituut voor wetenschappelijke ontwikkeling, waar een vooraanstaande Pakistaanse wetenschapper zich bezighoudt met de ontwikkeling van de eerste "Islamitische kernbom'.

KARACHI, 13 AUG.

De BCCI betaalde in Pakistan nauwelijks belasting. In plaats daarvan sluisde de bank het grootste deel van de enorme winsten die in het land werden gemaakt door naar een bedrijf dat eigendom was van een goede vriend van de oprichter van de bank, naar inflatie in de hand werkende belastingvrije obligaties en naar lievelingsprojecten van de machtigste politicus van Pakistan, president Ghulam Ishaq Khan.

Documenten waar de Los Angeles Times de hand op heeft gelegd bevatten aanwijzingen dat Ishaq Khan de belangrijkste financiële ambtenaar was toen aan de BCCI in 1981 een speciale belastingvrije status werd verleend voor haar uiterst winstgevende Pakistaanse operaties. Dat was het jaar waarin de oprichter van de bank, Agha Hasan Abedi, een liefdadigheidsstichting oprichtte die de inkomsten van de bank beschermde tegen belastingen en Abedi onder zijn meeste landgenoten een reputatie schonk van buitengewone filantroop.

Ishaq Khan was ook voorzitter van de BCCI-stichting in de tijd van de grootste donatie aller tijden: tien miljoen dollar aan fondsen in 1988 en 1989 om een particuliere instelling voor wetenschap en technologie te financieren. Deze instelling is nu geheim en de huidige projectleider is A. Qadir Khan, de Pakistaanse wetenschapper die nauw betrokken is bij de pogingen van Pakistan een kernbom te fabriceren.

De stichting gaf veel Pakistaanse armen hulp en was verantwoordelijk voor veel goede werken. Maar een analyse van de rekeningen van de BCCI-stichting van tien jaar, die in tientallen vraaggesprekken met huidige en voormalige BCCI-functionarissen zijn geverifieerd, toont aan dat in werkelijkheid nog geen tien procent van de zestig miljoen dollar aan winst die volgens de BBCI in Pakistan is vergaard in het afgelopen decennium naar behoeftigen en gebrekkigen ging, naar instellingen die zich hun lot aantrekken en naar religieuze en opvoedkundige "goede werken' waarvoor Abedi het meest bekend is.

Door de grote investeringen in overheidsobligaties, volgens de Wereldbank een belangrijke oorzaak van de snel stijgende inflatie en de uitdijende zwarte economie, verdiende de BCCI in feite meer geld aan rente alleen dan het ooit als donatie aan de liefdadigheid heeft geschonken.

Voor iedere dollar die de stichting uitgaf voor de hulp aan kankerpatiënten of aan beurzen voor armen, gaf zij duizenden dollars meer uit aan effecten in een particulier Pakistaans cementbedrijf dat de stichting nooit dividend heeft uitbetaald. Dit bedrijf was eigendom van de goede vriend van Abedi, de Saoedische ondernemer Ghaith R. Pharoan. Pharoan werd vorige maand met Abedi aangeklaagd in New York in het enorme bankfraude-schandaal dat de operaties van de BCCI in de VS heeft overspoeld.

Voor iedere dollar die de stichting schonk aan haar prestigeproject (een lange-termijnprogramma voor het opknappen van de achterbuurten in de voorsteden van Karachi, waarvan de directeur zegt dat de BCCI de liefdadigheid exploiteerde voor het persoonlijke prestige van Abedi) spendeerde zij tienduizenden meer aan Abedi's lievelingsprojecten.

Ze moesten uiteindelijk drastisch worden ingekrompen of gestopt toen president Ishaq Khan en de rest van de raad van bestuur van de stichting fondsen toekenden aan het Ghulam Ishaq Khan Instituut voor Techniek, Wetenschap en Technologie.

“Het grootste probleem met de BCCI-kwestie is dat de mensen hun vertrouwen in de filantropie hebben verloren”, zegt professor S.A.K. Lodhi, een Pakistaanse wetenschapper die bijna een decennium lang aan het hoofd stond van een door de BCCI gefinancierde dochteronderneming die is verkommerd door gebrek aan fondsen.

Ondanks de kennelijke tegenstrijdige belangen in de hoogste regionen van de Pakistaanse regering, blijken met de werkwijze van de BCCI-stichting niet de Pakistaanse wetten te zijn overtreden. President Ishaq Khan lijkt er financieel ook niet op vooruit te zijn gegaan.

De investeringen van de stichting in de Pharoan Cement Corp. schijnen te vallen onder ten minste een van de 28 uitgebreide doelstellingen die in grote trekken zijn weergegeven in de statuten, die als basis dienden voor de vergunning van de regering waardoor zij hier grotendeels belastingvrij kon opereren.

De enorme donaties aan het privé-instituut van Ishaq Khan zijn toegestaan door het mandaat van de stichting om “research, onderzoek, uitvindingen, planning en ontwikkeling te stimuleren”. Het mandaat zou de financiering van de ontwikkeling van nucleaire wapens goedkeuren in een land waar een "Islamitische bom' door bevolking en politiek wordt gezien als een patriottische opdracht.

De investering van de stichting in belastingvrije overheidsobligaties heeft een bedrag opgeleverd van zestig miljoen dollar dat nog steeds aan een liefdadig doel kan worden geschonken als de directie dat beslist.

Maar de stukken van de stichting laten een patroon zien bij de BCCI-operaties in Pakistan dat volgens bankkringen door de BCCI werd gevolgd in veel van de 76 landen waarin Abedi zijn imperium uitbreidde tot wat de grootste financiële instelling van de Derde wereld werd.

Het is een patroon van geld uitgeven om meer geld te krijgen, om belangrijke politici te beïnvloeden en zoveel mogelijk geld af te schermen voor de belasting. Het is een patroon dat niet alleen het beeld van Abedi in zijn eigen land als vrome weldoener van de armen aantast maar ook de morele geloofwaardigheid van de BCCI voor een verweer in Pakistan en in het Westen.

Aanhangers en collega's van Abedi zeggen trots dat 85 tot 90 procent van alle winsten van de bank naar de stichting ging en dus naar liefdadige doelen.

In Pakistan was de stichting die de winsten van de bank beschermde een spiegelbeeld van het internationale BCCI-netwerk van in Londen gevestigde "liefdadige instellingen'. Elk had een variatie van de naam International Credit en Investment Corp. Ze functioneerden op eenzelfde manier als de Pakistaanse BCCI-stichting, bescherming biedend tegen het betalen van belasting. Maar documenten tonen aan dat zij ook fondsen die waren bestemd voor liefdadige doelen investeerden in aparte reisbureaus en verzekeringsmaatschappijen die eigendom waren van de BCCI.

De operaties van de Pakistaanse stichting bevatten een opvallende voorbeeld van hoe de BCCI haar zaken leidde in juist dat land dat volgens het topmanagement en de trouwste aanhangers het middelpunt van haar internationale operaties is.

President Ishaq Khan, die zijnleven lang een toegewijde ambtenaar is geweest, wordt door alle analisten in Pakistan gezien als onomkoopbaar en wordt wijd en zijd gezien als iemand die zich inzet om de democratie te brengen in een land dat lang is geregeerd in een staat van beleg. Hij kon niet worden bereikt voor commentaar over de BCCI-stichting, waarbij hij nog steeds voorzitter is van de raad van bestuur.

“Het beleid is dat niemand van de stichting een interview mag geven aan de pers”, zegt de directeur van de stichting, S.U. Khan.

Uit rapporten en vraaggesprekken blijkt dat investeringen van de stichting in overheidsobligaties aan toonder, Khas Deposit Certificates genaamd, niet verschilden van investeringen die zijn gedaan door veel belangrijke Pakistaanse bedrijven en andere liefdadige instellingen om de winsten voor de belasting te beschermen.

De uitgifte van obligaties werd vorig jaar geleidelijk stopgezet onder druk van de Wereldbank, gedeeltelijk omdat ze geen inkomsten opleverden voor deze verarmde natie van 100 miljoen zielen. Ze verhinderden ook dat de economie van Pakistan opbloeide door miljarden dollars uit de banenverschaffende kapitaalmarkt te nemen.

Huidige en voormalige leden van de raad van bestuur geven toe dat het niet verstandig was van de BCCI-stichting om in die tijd investeringen te doen in het cementbedrijf van Pharoan.

Volgens de documenten gebruikte de stichting 74 miljoen rupees (gelijk aan 3 miljoen dollar met de huidige wisselkoers) van de beschermde bankwinsten van de BCCI om in 1983 en 1984 740.600 aandelen te kopen in de Attock Cement Co. van Pharoan. De investering van de stichting kwam op een moment dat het bedrijf activa noteerde van net 10 miljoen rupees en passiva van 12,8 miljoen rupees. De directeuren gaven in het jaaroverzicht toe dat de resultaten en de toekomstverwachtingen "teleurstellend' waren.

Abedi's besluit om in Attock Cement te investeren was, volgens de recente Amerikaanse aanklachten, gewoon een van de partnerships die Abedi en zijn bank vormden met Pharoan. In Amerika beweren investeerders dat Pharoan optrad als stroman die de BCCI in de markten van de Verenigde Staten en elders bracht door activa van banken en bedrijven te gebruiken die op papier waren gekocht op naam van Pharoan als onderpand voor enorme BCCI leningen, waarvan hij de betalingen niet nakwam; de BCCI bleef achter met een schuld van 500 miljoen dollar op naam van Pharoan.

Pharoan is niet bereikbaar voor commentaar. Volgens Abbas woont Pharoan op zijn drie slaapkamers tellende jacht, en is hij voor het laatst ergens op de Middellandse Zee gesignaleerd.

De investering van de stichting van 1983 in de Pakistaanse cementonderneming van Pharoan onthult meer over de Pakistaanse operaties van de BCCI dan over de vriendschap tussen Abedi en Pharoan. Het was niet alleen de grootste afzonderlijke onderneming dat jaar, maar het bedrag was bijna vijf keer zo groot als de totale som die de stichting dat jaar schonk aan meer dan vijftig liefdadige doelen. Zoals: de financiering van vluchten van Pakistaanse pelgrims naar Mekka voor de hadj waaraan veel publiciteit werd gegeven; het drukken van exemplaren van de Koran; de bouw van moskeeën; de financiering van oogheelkundige klinieken en lepracentra.

In veel opzichten wijzen documenten die in het archief zitten bij het jaaroverzicht van de stichting erop dat het beleid van de "donatie' van 1983 de toon aangaf voor tijden waarin zo'n negentig procent van de donaties van de BCCI naar obligaties aan toonder met een hoog rendement ging. De stichting deed honderden aandachttrekkende donaties voor het menselijk welzijn, van het financieren van medische reizen naar het buitenland voor de armen, tot, en daaraan is waarschijnlijk de meeste publiciteit gegeven, de medewerking aan de uitroeiing van de ziekte van de Guinea-worm in Pakistan door het Global 2000 project. Dit project werd in gang gezet door de voormalige Amerikaanse president Carter en vormde kennelijk de basis voor Carters persoonlijke vriendschap met Abedi.

Slechts enkele voormalige functionarissen van de BCCI en voormalige werknemers van de stichting wisten welk deel van de inkomsten van de stichting naar charitatieve werken ging. Zij zeggen dat zij ontslag hebben genomen toen ze ervan overtuigd raakten dat de stichting niet veel meer was dan een legale bescherming tegen het betalen van belasting, meer gericht op het optimaliseren van winsten en het opbouwen van kapitaal dan het bevorderen van menselijk welzijn, gezondheid en wetenschap.

Zij noemen de oprichting van twee dochterondernemingen van de stichting in het begin en het midden van de jaren tachtig. Volgens hen verschafte de stichting op persoonlijke aanwijzing van Abedi beginkapitaal aan BCCI-NEST (New and Emerging Science and Technology) en BCCI-FAST (Foundation for Advancement of Science and Technology).

Aan het hoofd van NEST stond de uitmuntende kernwetenschapper I.H. Usmani, die hier in Pakistan en in het Westen bekend is als de vader van het nu controversiële kernenergie-programma. Die stichting ontving een paar miljoen dollar aan BCCI-donaties voordat ze vorig jaar gedwongen was te stoppen door gebrek aan fondsen. NEST bouwde alleen een paar solarprojecten waarvan enkele zijn overgenomen door een particulier bedrijf dat Usmani is begonnen onder zijn eigen naam.

FAST ontving ongeveer vier miljoen dollar aan bankdonaties nadat het was opgezet om “de brede kloof van de technologische achterstand tussen Oost en West te overbruggen”, aldus de jaaroverzichten. Er werden twee gerespecteerde Pakistaanse wetenschappers aangetrokken die twee high-tech computerscholen openden in Karachi en Lahore.

De leider van de langlopende projecten, Javed Ashraf, werd vorig jaar gedwongen ontslag te nemen nadat hij was gaan twijfelen aan het financieringsbeleid van de stichting. Ashraf, die in een vraaggesprek beweerde dat tientallen miljoenen rupees die voor het instituut bestemd waren “gewoon verdwenen”, zei dat “onze goede naam door sommige mensen werd gebruikt voor andere zaken”.

Documenten van FAST wijzen erop dat het grootste deel van de jaarlijkse donatie van de BCCI werd geïnvesteerd in dezelfde Khas overheidsobligaties als die van de moederstichting. Maar FAST paste een financieringssysteem toe dat in feite mogelijk maakte dat de BCCI door bankoperaties profiteerde van dezelfde bedragen die ze eerder had geschonken aan de moederstichting van FAST. FAST moest, omdat zij haar donaties vastlegde in obligaties van de moederstichting BCCI, een voorschot in de lopende rekening opnemen om de dagelijkse kosten te kunnen betalen; die rekening werd geopend bij een BCCI-bank in Karachi die de stichting 18 procent rente berekende op haar uitgaven.

Toch was het niet de boekhouding die FAST dwong de ambitieuze plannen om de wetenschap te stimuleren terug te schroeven in een land dat nog steeds behoort tot de minst ontwikkelde landen van de wereld. Het was de beslissing van de BCCI-stichting van 1987, toen Ishaq Khan voorzitter was, om 250 miljoen rupees (ongeveer 10 miljoen dollar) toe te wijzen aan de Society for the Promotion of Energy and Science Technology. Ishaq Khan stond ook aan het hoofd van deze maatschappij. Haar enige project is de Ghulam Ishaq Khan Institute of Engeneering Sciences and Technology.

Het instituut bevestigt dat zijn projectleider A. Qadir Khan is. Hij is zeer openhartig over de Pakistaanse aspiraties met betrekking tot kernwapens en zijn controversiële nucleaire programma bracht Pakistan zo dichtbij het bezit van een kernbom dat het Amerikaanse Congres vorig jaar alle hulp aan Pakistan stopzette.

Maar het grootste deel van de plannen blijkt gehuld in een waas van geheimzinnigheid. De uitvoerend directeur, H.U. Beg, voormalig minister van financiën van Pakistan en een goede vriend van de president vertelde dat hij noch iemand anders die verbonden is met de maatschappij of het instituut “gerechtigd is er iets over te zeggen”.

Vooraanstaande Pakistaanse deskundigen legden er - gevraagd of het juist was dat de BCCI-stichting het instituut had gefinancierd - de nadruk op dat maar weinig mensen in Pakistan daarover in discussie gaan.

Zij zeggen slechts dat het instituut het prestige van de president en Abedi en zijn bank zou vergroten in de ogen van de meeste Pakistanen.

(© Los Angeles Times. Vertaling Loes Vonk)