Albanië: Serviërs willen van Kosovo tweede front maken

TIRANA, 13 AUG. Kosovo wordt het "Tweede Front' in Joegoslavië. Elke Albanees weet het zeker: straks, als in het noorden van Joegoslavië de Kroaten en de Serviërs hun strijd over de toekomstige grenzen van Kroatië en het nieuwe, door Servië gedomineerde Joegoslavië hebben beslecht, is het zuiden aan de beurt. Dan worden in het zuiden de open staande rekeningen vereffend. En dat zuiden is Kosovo, de Servische provincie waar de Albanese meerderheid - negentig procent van de bevolking - elke vorm van autonomie is kwijtgeraakt en niet meer wordt vertegenwoordigd, niet meer legaal in elk geval.

“Er zijn tekenen dat de Groot-Servische krachten hun toorn nu op Kosovo richten,” zegt Ilir Boçka, onderminister van buitenlandse zaken van Albanië. “Er is sprake van provocaties en manoeuvres, waarmee de Serviërs hun veldtocht en hun terreur tegen de Albanese bewoners van Kosovo willen rechtvaardigen.” De Serviërs, zegt Boçka, willen in het nieuwe Joegoslavië, dat ontstaat wanneer Slovenië en het verkleinde Kroatië zich hebben afgescheiden, de baas spelen en bedreigen nu al de overige volkeren.

Dat de Albanezen het belangrijkste doelwit van de Serviërs vormen staat voor Boçka en voor alle Albanezen als een paal boven water. “We beschikken over bewijzen dat de Serviërs in Kosovo zich massaal bewapenen, onder toezicht van het federale leger. Op klaarlichte dag worden de wapens met vrachtwagens aangevoerd en onder de Serviërs verdeeld. Er worden milities gevormd en opgeleid. Albanese dorpen worden door die Servische milities omsingeld. Dat noemt men "manoeuvres', maar dergelijke manoeuvres kunnen heel gevaarlijk zijn. Reizigers, ook buitenlanders, vertellen ons dat langs de grens militaire versterkingen zijn aangevoerd, compleet met tanks, en we weten dat veel federale troepen die uit Slovenië zijn teruggetrokken, naar Kosovo zijn gedirigeerd.”

Boçka wil niet zover gaan te stellen dat Albanië zich direct bedreigd voelt, maar de acties van de Serviërs en het Joegoslavische federale leger geven de Albanezen wel “een duister voorgevoel”. “De Albanezen van Kosovo zijn al tien jaar het slachtoffer van onderdrukking en terreur. Bovendien, in Joegoslavië woedt een burgeroorlog, en in een burgeroorlog is alles mogelijk. De dogmatische, stalinistische leiding van Servië maakt de dienst uit, en dat stemt ons somber. We zijn bang dat er een Uur X bestaat, waarop het federale leger tegen de Albanezen van Kosovo in actie komt.” Het doel van zo'n actie zou volgens Boçka kunnen zijn, de Albanezen van Kosovo massaal uit hun steden en dorpen te verdrijven, richting Albanië.

Boçka vraagt aandacht voor de “prijzenswaardige houding” van de onderdrukte inwoners van Kosovo. “Ze houden zich bij al die provocaties rustig. Ze verzetten zich niet. Ze hebben een politiek front gevormd, bestaande uit alle politieke partijen van Kosovo, dat de bevolking heeft opgeroepen rustig maar waakzaam te blijven. De Albanezen mogen geen kaart worden in de spelletjes die in Joegoslavië worden gespeeld. De Albanezen zijn niet het kleinste van de volkeren van Joegoslavië: er zijn drie miljoen Albanezen in Joegoslavië. Er zijn meer Albanezen dan er Slovenen, Macedoniërs, Montenegrijnen of Bosniërs zijn.”

In de praktijk kan Albanië weinig doen om de volksgenoten over de grens te helpen. Kosovo is een straatarm gebied, maar de Albanezen van Kosovo zijn rijk in vergelijking met de Albanezen in Albanië: als er hulp wordt geboden, dan door Kosovo aan Albanië. De leider van de Albanezen in Kosovo, de schrijver Ibrahim Rugova, wendde zich vorige week tot de Albanese president Ramiz Alia met het verzoek, hem te helpen de kwestie-Kosovo internationaal aan de orde te stellen. Boçka: “De wereld vergeet Kosovo. Het kijkt naar het noorden, naar Slovenië en Kroatië. Maar het zijn de Albanezen in Kosovo die een catastrofe te vrezen hebben. We willen Rugova en de Albanezen helpen. We willen niet dat Europa zich de problemen van Kosovo pas realiseert wanneer het te laat is”.

Dat Servië zich ongevoelig opstelt ten aanzien van druk uit het buitenland, wil er bij Boçka niet in: “Diplomatieke actie blijft zeer belangrijk. Servië houdt zich groot en speelt de onverschillige. In werkelijkheid is de Servische leiding niet onaantastbaar, integendeel: ze is kwetsbaar. Europa heeft de plicht de zaak op de agenda te zetten. Het is onvoorstelbaar dat de Albanezen van Kosovo, het derde volk van Joegoslavië, niet mee mogen praten over de contouren van het nieuwe Joegoslavië. Er is voor de conflicten van Joegoslavië geen oplossing denkbaar zonder de Albanezen”.

Menigeen in Albanië droomt, zeker nu Joegoslavië desintegreert, van een hereniging met Kosovo, van het Groot-Albanië dat tijdens de oorlog heeft bestaan. De deling van de historische Albanese natie, zegt Boçka, is “een wond” in het Albanese bewustzijn, is een “historische onrechtvaardigheid”. Maar dat betekent niet dat Albanië territoriale aanspraken op Joegoslavisch grondgebied heeft. “We houden ons aan de spelregels van de CVSE. We zijn voor de onaantastbaarheid van bestaande grenzen. Maar”, zo voegt hij er direct aan toe, “we zijn ook voor het zelfbeschikkingsrecht van volkeren, en als de Albanezen van Kosovo zich in volle vrijheid kunnen uitspreken over hun toekomst, respecteren we elke uitslag.” Tirana, aldus de onderminister, steunt in elk geval de eis van de Albanezen in Kosovo om een eigen republiek binnen de Joegoslavische federatie te krijgen, de republiek die hun parlement op 2 juli vorig jaar heeft uitgeroepen en die met tanks is onderdrukt. Daarnaast, zegt hij, steunt Tirana de wens van Rugova, EG-waarnemers naar Kosovo te sturen, want “de Groot-Servische krachten zullen hun plannen moeilijker kunnen verwezenlijken als er getuigen in de buurt zijn”.