"Wij zijn de slaven van gisteren en van straks'

De exodus van duizenden Albanezen naar Italië wekt in Albanië ambivalente gevoelens. Men schaamt zich te kijk te staan als de bedelaar van Europa, maar in zijn hart wil elke Albanees op zoek naar een beter lot. Een gesprek met een schrijver, een minister en een agronoom. “Dit is een dode samenleving.”

TIRANA, 12 AUG. “Geestelijk is Albanië een woestijn”, zegt Dritéro Agolli. Met - of na, daarover lopen in Albanië de meningen uiteen - de naar Frankrijk uitgeweken Ismail Kadare is Agolli de belangrijkste schrijver van Albanië. Zijn twintig romans zijn vertaald in bijna alle Europese talen. Hij is een grote man met wilde, grijze manen en een doorgroefd, rood gezicht, die langzaam praat en langzaam loopt.

“De economische situatie is wanhopig”, zegt hij. “Maar de economie valt te genezen. Veel erger is de vernietiging van het morele leven, de vernietiging van de ziel. We hebben onze boeren vernietigd, en onze boeren zijn onze beste mensen. We hebben de vaderlandsliefde vernietigd. We hebben het geweten en het vrije denken vernietigd, het innerlijk leven. We hebben de kerken en kloosters vernietigd, de religieuze cultuur. En Albanië is niets zonder zijn priesters en monniken: zij schreven onze geschiedenis en zij legden de basis voor onze cultuur, zij zijn onze geschiedenis. Ze zijn fysiek vernietigd. We hebben onze kooplieden vernietigd, de eigenaars, de handwerkslieden. We hebben van hen een grote amorfe massa gemaakt, een massa zonder persoonlijkheid. We hebben zoon tegen vader opgezet en vrouw tegen man, want Albanië was een land waar de zoon zijn vader bespioneerde en de vrouw de man.”

Het resultaat, zegt Agolli, is, gekoppeld aan die wanhopige economische situatie, onze tweede exodus. In de zestiende eeuw, toen na de dood van Skanderbeg de Turken kwamen, verlieten 300.000 Albanezen hun land, onze beste families. “Die exodus herhaalt zich nu. Toen vluchtte men voor de inval van de Turken, nu vlucht men voor de inval van de economische wanhoop.”

Overigens twijfelt hij er niet aan, zo zegt hij, dat de Albanezen die weggaan ooit terug zullen komen: “Hier luisterden ze alleen naar buitenlandse zenders. Ginds, in Bari, luisteren ze alleen naar radio Tirana. Albanezen blijven Albanezen. Zij die honderden jaren geleden vluchtten hebben in Italië hun taal en cultuur ook al die eeuwen in stand gehouden. In hun dorpen wordt sinds eeuwen Albanees gesproken.”

Agolli, al vele jaren voorzitter van de Albanese Schrijversbond, wil zich, zegt hij, niet onttrekken aan zijn verantwoordelijkheid voor de vernietiging van de Albanese cultuur. “Ik heb bewust gezegd: we vernietigden. Ik pleit mezelf niet vrij. Ik heb ook mijn lofzangen op Hoxha geschreven, net als Kadare en alle andere kunstenaars. Het is een van de redenen waarom de Albanese intellectuelen aarzelen zich actief met de politieke gebeurtenissen van nu in te laten. Vroeger waren de intellectuelen bang voor de partij, nu zijn ze bang voor de massa. Wie zich in het openbare debat mengt, krijgt door die massa een etiket opgeplakt en wordt bedreigd. Ik heb ook politiebewaking voor mijn deur gehad.”

Maar bovenal, zegt Agolli, zijn de intellectuelen bang voor zichzelf: “Ze schamen zich, en die schaamte is een zware last op de schouders van de intelligentsia, gewetenswroeging is ook een vorm van angst.” Hij weet, zegt Agolli, dat ook Anna Achmatova lofdichten op Stalin heeft geschreven, dat d'Annunzio Mussolini heeft verheerlijkt. “Maar hier was het allemaal een graadje erger. We hebben dit land van de wereld geïsoleerd, we hebben een rigoureuze klassenstrijd gevoerd en een wrede dictatuur gevestigd. Ik ook, ik ben vanaf het begin lid geweest van de partij. We zijn extremisten, fanatici. We zijn een volk dat wraak moet nemen. We zijn een bergvolk.”

De exodus van de tienduizenden vluchtelingen naar Italië, vorige week, wekt bij de Albanezen ambivalente gevoelens. Aan de ene kant is er schaamte. Albanië, zo realiseren de Albanezen zich als ze op hun televisiescherm de volgepakte boten zien, staat te kijk als de bedelaar van Europa.

Nog meer schaamte is er over het niveau van de vluchtelingen: de meesten behoren tot het lompenproletariaat, armoedzaaiers die in de stad hun baan zijn kwijtgeraakt nu de fabrieken hun produktie hebben gestaakt, of die op het platteland zonder werk zijn komen te zitten nu de landbouw-coöperaties zijn ontmanteld. Dat dit lompenproletariaat het visitekaartje moet zijn waarmee Albanië zich na de beëindiging van zijn isolement aan de wereld presenteert, doet velen pijn.

Aan de andere kant is er verontwaardiging over de harteloosheid waarmee Europa de vluchtelingen terugstuurt. Er gaan kleine golven van verontwaardiging door de natie als men ziet hoe de Italiaanse oproerpolitie in Bari inslaat op wanhopige vluchtelingen die doen wat elke Albanees het liefst ook zou doen: op zoek gaan naar een beter lot.

De morele vernietiging die Agolli noemde is alom tegenwoordig, in elk commentaar, op elk niveau: elk vertrouwen is verdwenen; vertrouwen in de overheid, in de politiek, in de toekomst en in elkaar. Vice-premier Gramoz Pashko, minister van economische zaken, gisteravond laat nog aan het werk in zijn kolossale ministerie aan de Boulevard van de Martelaren van de Natie, maakt zich zorgen over de democratie zelf: “Als het Westen niet doelmatiger dan tot nu toe helpt, loopt de sociale onrust uit de hand en wordt Albanië een prooi van de logica van de straat, in plaats van de logica van de democratie”.

Niko Gjini, een agronoom: “Albanië verdwijnt in een zwart gat. Dat is onafwendbaar. Je kunt geen samenleving opbouwen met de tien taxi's die Tirana rijk is, met vier privé-winkels die niets te verkopen hebben en met de technologie van de jaren vijftig die we hebben. De politiek? Partijen zijn hoeren. Ze hebben ons alles beloofd en vullen nu hun tijd met geleuter en geruzie. Elke beslissing kost drie maanden. Deze president, deze regering en dit parlement kunnen Albanië niet meer redden. Albanië is al dood.”

De Albanezen, zegt Gjini, zijn een wantrouwig volkje: ze hebben elkaar nooit vertrouwd, dat deden ze al vóór het socialisme niet. Het socialisme heeft dat alleen maar erger gemaakt. “Zelfs het vertrouwen in het eigen land is vernietigd. In Albanië heette het altijd: je vaderland is de plaats waar modder zoeter smaakt dan honing. Wel, onze modder smaakt niet zoet meer. Dit is een dode samenleving, en de vluchtelingen weten dat. We weten dat allemaal.”

We zijn in Nikël, een dorp niet ver van Tirana, in het district Kruja, een dorp van maïs en modder en magere paarden. Als we ons na een bezoek aan een boer opmaken om naar Tirana terug te keren, zakt de zon bloedrood achter de horizon. De boer is bezorgd: zouden we niet liever blijven slapen? Elke nacht, zegt hij, zijn op het land schoten te horen. “Het is niet veilig meer buiten de steden. Er zijn veel dieven op pad, ze hebben wapens, en er is geen politie.”

Gjini: “Onder het socialisme was Albanië een bewapende natie. Iedereen moest elk jaar een paar weken onder de wapenen, en elke school in het hele land had een eigen wapenarsenaal. Veel van die magazijnen zijn deze lente geplunderd”. Hij wijst naar de kleine betonnen geschutskoepeltjes op het land: “Dat is de erfenis van het socialisme: geweren in handen van mensen die niets te verliezen hebben, en die nutteloze geschutskoepeltjes. Elk van die koepeltjes bevat acht ton ijzer en beton. Dat is genoeg voor een flat. En weet je hoeveel koepeltjes er staan, in heel Albanië? Anderhalf miljoen. Die koepeltjes hebben ons anderhalf miljoen flats gekost, en dat bij een bevolking van 3,5 miljoen mensen.” Hij zwijgt. Hij kijkt naar de zonsondergang. Hij zegt: “We zijn de slaven van gisteren en de slaven van straks. Geweren en geschutskoepeltjes. Dat is de Albanese vooruitgang. Is het een wonder dat de mensen weglopen?”