Slagwerkgroep haalt uiterste uit vibrafoon

Concert: Carribean Utmost bestaande uit Jogi Gilles (percussie, drums), Ben Gerritsen (vibrafoon, marimba, piano, glockenspiel), Hans Hasebos (marimba, vibrafoon, sopraansaxofoon). Gehoord: 10-8 BIMhuis, Amsterdam

Wie aan de vibrafoon denkt, denkt allereerst aan Lionel Hampton. En terecht, want Hampton was de eerste die dit als 'koud' aangemerkte instrument wist te 'bezielen'. In 1930 demonstreerde hij de vibrafoon in het gezelschap van Louis Armstrong en in de tweede helft van de jaren dertig werd hij er beroemd mee in het kwartet van Benny Goodman. Dat hij die roem vervolgens driftig consolideerde, weet iedereen die wel eens aan de 'roots of rock and roll' geroken heeft. Waar Hampton kwam, daar werd onbeschaamd geswingd, niet alleen tot vreugde van zijn publiek maar ook die van hemzelf want hij werd er zeer rijk van. Dat Hampton als drummer begonnen was, wist lang niet iedereen, maar aan zijn spel bleef het goed hoorbaar. De in Amerika als 'steel marimba' uitgevonden vibrafoon, ook wel 'vibraharp' of 'vibes' genoemd, bleef onder zijn handen allereerst een stuk slagwerk, dat een zeer percussieve aanpak vereiste.

Pas tegen de jaren vijftig werd duidelijk dat de vibrafoon meer melodische mogelijkheden had. De eerste die dit overtuigend demonstreerde was Red Norvo, halverwege de jaren veertig, de volgende Milt Jackson, decennia lang de fluwelen 'tweede stem' van het Modern Jazz Quartet. Een volgende stap vooruit was de begin jaren zestig door Gary Burton toegepaste techniek met twee 'mallets' (stokken met bolletjes), in elke hand, die vooral de harmonische mogelijkheden uitbreidde. Overigens echter veranderde het gebruik van het instrument nauwelijks, zeer merkwaardig gezien het feit dat het vanaf het begin (dus eerder dan de gitaar en tal van klavieren) met een stekker was uitgerust. Het vibrato waar het instrument zijn naam aan dankt, komt immers tot stand dank zij een elektromotor die de onder de galmgaten gemonteerde klepjes laat roteren. Lionel Hampton liet de motor snel draaien om een kort vibrato te bereiken, ex-xylofonist Red Norvo speelde 'droog', dus zonder motor, Milt Jackson zette de motor langzaam om een breed uitwaaierend geluid te krijgen. Zij, die deze grote drie opvolgden, de Amerikanen Walt Dickerson, Bobby Hutcherson en Dave Pike, de Duitsers Karl Berger en Gunter Hampel en hier te lande Carl Schulze en Frits Landesbergen, zongen en zingen ieder hun eigen lied, maar aan de status van de vibrafoon veranderde het weinig. Het bleef een wat uitzonderlijk, half elektrisch instrument, ergens halverwege drums en piano.

Deze lange introductie zou overbodig zijn geweest als Carribean Utmost bij zijn première in het BIMhuis niet zo opmerkelijk voor de dag zou zijn gekomen. Allereerst qua instrumentarium; op het podium stonden twee vibrafoons, twee marimba's, een vleugel, een glockenspiel, een westers drumstel, plus een halve vrachtwagen aan traditionele percussie, waaronder een Afrikaanse balafoon, de oervorm van het klankrijk slagwerk. Ten tweede, en natuurlijk belangrijker, door de manier waarop dit instrumentarium tot klinken werd gebracht. De naam Carribean Utmost is namelijk nogal bedrieglijk. Associaties met de latin vibrafoonmuziek van Cal Tjader en Tito Puente zijn niet geheel onterecht, maar de groep put uit veel meer bronnen: puur Afrikaanse muziek, de op de tel gespeelde klassieke slagwerktraditie, het 'vrije geluidenonderzoek' en rockmuziek. Het meest van belang is dat Gerritsen en Hasebos de elektrificatie van de vibrafoon, in 1916 (!) bij de introductie van het instrument begonnen, eindelijk lijken te voltooien. Niet alleen door consequent versterkt te spelen, wat pas sinds een jaar of vijf op een ideale manier mogelijk schijnt, maar ook door het instrument op een synthesizer aan te sluiten, met alle perspectieven van dien.

Nu eens klinkt Gerritsens instrument als een waterorgel, dan weer als een carillon en net wanneer je je afvraagt van wie hij zijn baslijnen heeft 'gesampeld', blijkt Hasebos die te spelen op zijn vibrafoon. Sentimentele ballads (Musedei Mamantem), Sun Ra-achtige explosies, scheve dansjes (Nancy Shuffle), bijna alles blijkt mogelijk met deze bezetting van drie slagwerkers. Zelfs als Gerritsen en Hasebos beiden marimba spelen, wordt de zaak niet saai, hun timing is verschillend, het geluid van de met dikkere stokken spelende Gerritsen is zwaarder. Het duurde in het BIMhuis enige tijd voor de groep echt 'liep', de aankondigingen van Jogi Gilles zouden wat duidelijker kunnen zijn, een triostuk voor balafoon, vibrafoon en marimba werd node gemist, maar desondanks lijkt Carribean Utmost nu al een aanwinst. Levende muziek waarin het eind zoek is, met duidelijk plezier gepresenteerd, dat is toch waar de geïmproviseerde muziek het van moet hebben?