Kabinet noch adviseurs keken bij WAO-voorstellen over de grenzen

DEN HAAG, 12 AUG. De PvdA is overstag, het CDA zal wel volgen. Het kabinetsplan voor AAW/WAO en Ziektewet moet volgens vice-premier en minister van financien Kok worden aangepast. Maar, zegt Kok, er moet in 1994 nog steeds 4,4 miljard worden bespaard. Dat vergt forse ingrepen. Het kabinet koos (onder meer) voor verkorting van de uitkeringsduur. Arbeidsongeschikten jonger dan 50 jaar zouden na een paar jaar een uitkering op bijstandsniveau ontvangen.

Kok en Lubbers als de Thatcher van de sociale zekerheid? Het is onvoorstelbaar en toch. In de omringende landen is het weliswaar veel moeilijker om een WAO-uitkering te krijgen, maar wie daar eenmaal een uitkering heeft, houdt haar tot aan pensioen (AOW) of vervroegd uittreden (VUT). Net als nu (nog) in Nederland.

Het is opmerkelijk hoe weinig zowel de Sociaal-Economische Raad (die niet tot bekorting maar tot verlaging van de WAO adviseerde) als het kabinet over de grens hebben gekeken. Zo is in Duitsland, Belgie, Frankrijk en Groot-Brittannie normaal dat onderscheid wordt gemaakt tussen beroepsgebonden en niet-beroepsgebonden risico's. Wie daar "werkende weg' ziek wordt, krijgt veel gemakkelijker een uitkering dan wie in zijn of haar vrije tijd klachten krijgt. In dit laatste geval moet men in deze landen voor ten minste 50 procent arbeidsongeschikt worden verklaard. In Belgie en Frankrijk liggen deze minimumdrempels op 66,7 procent. Voor "professionele' risico's daarentegen ontbreekt zo'n drempel echter geheel.

In Nederland doet het er niet toe of iemand bij het waterskieen of op de werkplaats arbeidsongeschikt werd. Voor wie buiten het werk ziek werd gelden dezelfde drempels als voor wie op het werk klachten kreeg: 15 procent arbeidsongeschiktheid in de AAW (Algemene arbeidsongeschiktheidswet, volksverzekering) en 25 procent in de WAO (Wet op de arbeidsongeschiktheid, werknemersverzekering).

De uitgaven voor AAW en WAO zijn in Nederland dubbel zo hoog zijn dan in Belgie en Duitsland. Bij de ziektewet springen de verschillen veel minder in het oog. In Duitsland waren deze kosten in 1987 zelfs hoger. Toch is de WAO ook in Nederland niet echt een financieel probleem. Het uitgekeerde bedrag kwam in 1984 uit op 4,8 procent van het netto nationale inkomen, en was in 1990 gedaald tot 4,0 procent.

Des te zwaarder is de WAO als sociaal probleem. Het vooruitzicht van een miljoen arbeidsongeschikten schrikt af en wekt verzet. Het verhouding tussen actieven en niet-actieven verslechtert en tast de basis van de sociale zekerheid aan. Over de WAO regent het de laatste jaren proefschriften, studies in opdracht van ministeries en studies op eigen intitiatief. Cijfers vergaren blijkt echter eenvoudiger dan cijfers verklaren. De regelingen per land verschillen sterk. Maar dat maakt het buitenland ook interessant.

Eerst de cijfers, in belangrijke mate ontleend aan publicaties van dr. R. Prins, medewerker van het Nederlands instituut voor arbeidsvraagstukken (NIA). Ook in het buitenland nam het aantal arbeidsongeschikten sinds 1970 fors toe. Maar terwijl in Belgie dat aantal tot 1987 verdubbelde, was in Nederland sprake van een verviervoudiging. Minister Veldkamp voorspelde in 1967 bij de introductie van de WAO een maximum van 200.000 WAO-ers. Dat aantal was echter al in 1970 bereikt. Inmiddels is het aantal opgelopen tot ruim 900.000.

In West-Duitsland ging na 1983 het aantal arbeidsongeschikten omlaag. Maar die daling had speciale oorzaken. In de Bondsrepubliek is de arbeidsongeschiktheidsverzekering veel sterker dan in Nederland en Belgie een verzekering voor 55-plussers. Velen van hen namen in de jaren tachtig via de VUT afscheid van het arbeidsproces. In die tijd stelden de VUT-regelingen in Nederland nog weinig voor. Daarnaast werden in Duitsland sommige verzekerden (die geen premie betaalden) van verzekering uitgesloten.

Vooral ten aanzien van jongeren springt Nederland uit de band. Een Nederlandse werknemer jonger dan 35 loopt twee keer zoveel kans om in de WAO terecht te komen dan een Belg van die leeftijd, en meer dan tien keer zoveel dan een Duitse leeftijdgenoot. Anderzijds is de kans om weer uit de WAO te geraken in Belgie drie keer zo groot (waar relatief veel arbeidsongeschikten terugkeren naar het arbeidsproces) en in Duitsland 2,5 keer zo groot dan in Nederland.

Die twee gegevens een hoge "instroomkans', een lage "uitstroomkans' leveren een uitermate somber beeld. Overigens geldt ook voor de oudere leeftijdsgroepen dat de kans dat men in de WAO terecht komt in Nederland fors groter is dan elders. Met als gevolg dat in Nederland een op de twee verzekerden uit de categrorie tussen 55 en 64 jaar een uitkering ontvangt, in Belgie een op de vier en in Duitsland een op de vijf.

Dat er in het buitenland relatief weinig jongeren arbeidsongeschikt worden verklaard is soms niet moeilijk te verklaren. Duitse werknemers moeten vijf jaar verzekerd zijn geweest en drie jaar premie hebben betaald voor ze recht hebben op een uitkering. Althans, in het geval van “sociale” risico's. In Belgie moet men, als men recht wil hebben op een uitkering, drie maanden hebben gewerkt, in Frankrijk moet men een jaar zijn verzekerd, in Groot-Brittannie moet men een minimum aan sociale verzekeringspremies hebben betaald. In al deze landen gelden deze drempels alleen voor "sociale' en dus niet bij "professionele' risico's. Alleen in Nederland ontbreekt een dergelijke drempel voor alle risico's.

Maar in Nederland komen in het arbeidsongeschiktenbestand niet alleen verhoudingsgewijs veel jongeren voor, ook blijkt dat sommige ziekten, hoewel die ook in het buitenland vaak worden genoemd als WAO-oorzaak, hier extreem vaak voorkomen. Het gaat dan vooral om psychische ziekten en ziekten van het bewegingsstelsel (zoals rugklachten). Voor beide ziekten geldt dat ze moeilijk te controleren zijn.

Er zijn geen indicaties dat de Nederlandse bevolking minder gezond is dan die in de ons omringende landen? Afgaande op sterftecijfers onder WAO-ers lijken arbeidsongeschikten in Nederland zelfs gezonder dan bijvoorbeeld in Belgie en Duitsland. Heeft de Nederlandse werknemer het dan wellicht zwaarder dan de buitenlandse collega? Dat blijkt evenmin uit internationale studies. De Nederlandse uitkering van 70 procent van het laatst verdiende loon springt internationaal wel duidelijk uit de toon. Tot de stelselherziening sociale zekerheid van 1986 ging men uit van 80 procent. Overigens is het jaarlijkse aantal nieuwe AAW/WAO-ers sindsdien blijven stijgen.

In Belgie en Frankrijk krijgt iemand die door het werk arbeidsongeschikt wordt een uitkering van 100 procent, in Duitsland ligt dit percentage op 66,7. En nog veel lager is het uitkeringspercentage dat men krijgt bij een "sociaal' risico: in Belgie hooguit 65 procent (voor kostwinners, alleenstaanden krijgen nog minder), in Duitsland 60 procent, in Frankrijk 50 procent. In Groot-Brittannie is de uitkering niet alleen afhankelijk van gederfd loon en mate van arbeidsongeschiktheid (zoals in Nederland), maar ook van de gezinssituatie (Belgie), de leeftijd en het overige inkomen.

Tot zover de instroom. Nu de uitstroom. Zoals gesteld keren in Belgie arbeidsongeschikten duidelijk vaker terug naar de arbeidsmarkt dan in Duitsland en Nederland. De oorzaak is vooralsnog duister. Van een zogenoemde quotumregeling, die werkgevers gebiedt een minimum aantal gedeeltelijk arbeidsongeschikten in dienst te hebben, is bij de zuiderburen nauwelijks sprake.

In Nederland kan Sociale Zaken sinds juli 1989 een bedrijfstak verplichten minstens 3 tot 7 procent gedeeltelijk arbeidsongeschikten in dienst te nemen. Maar deze stok achter de deur heeft nog niet veel uitgehaald. Zulke quotaregelingen gelden al langer in Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, met percentages tussen 3 en 6 procent. Het succes is het grootst in Duitsland, waar deze regeling louter voor ernstig gehandicapten geldt.

De vraag is of de precieze wetten, regelingen en voorwaarden er zoveel toe doen. Nederland heeft behoefte aan meer een sociale revolutie, een culturele omslag, net wat u wilt. Is het personeelsbeleid bij Belgische en Westduitse bedrijven inderdaad zakelijker en formeler dan in Nederland, waar men liever spreekt van “sociaal beleid”, zoals Prins anderhalf jaar geleden bij zijn oratie stelde? Zijn de buitenlandse bedrijfsartsen inderdaad actiever met bedrijfsgezondheidszorg in de weer dan hun Nederlandse collega's? Worden zieke werknemers in het buitenland veel eerder gecontroleerd dan in Nederland, waar bovendien lange wachttijden bestaan voor specialisten en ziekenhuizen?

Maar welke omslag ook wordt gerealiseerd, voor het kabinet Lubbers/Kok is het niet (snel) genoeg. Als het kabinet vasthoudt aan zijn doelstellingen op korte termijn en inderdaad in 1994 fors op de WAO wil besparen, dan is een ingreep in de uitkeringen zelf onvermijdelijk, of het nu de duur of de hoogte betreft. Wie vast wil houden aan deze financiele doelstelling, maar voor zo'n ingreep terugdeinst, is gewoon hypocriet.