Genoeg aandacht voor joodse historie

Het geld voor het her en der plaatsen van stenen monumenten ter herdenking van de tijdens de Tweede Wereldoorlog vermoorde joden zou beter kunnen worden besteed. Dat is althans de mening van de hoofdredacteur van het Nieuw Israelietisch Weekblad, M. Kopuit. In NRC Handelsblad van 3 augustus stelt hij dat het geld zinvoller kan worden uitgegeven aan één of meer leerstoelen voor joodse geschiedenis of het beschrijven van de geschiedenis van de joden in Nederland.

Nu is monumentale kunst openbaar en ze verschijnt daarom al gauw in de gedaante van publieke vrouw. Ik kan dus wel een beetje met Kopuit meevoelen. Maar aan de andere kant ben ik ook geneigd te denken: het is ook nooit goed. Stel dat er helemaal geen gedenktekens zouden zijn geplaatst. Zou Kopuit dan niet nog luider ageren? Bovendien vraag ik me af of hij werkelijk zo slecht op de hoogte is als hij voorgeeft te zijn. Zo heel erg bekaaid komt de geschiedenis der joden in Nederland er namelijk niet af.

Zou de hoofdredacteur van het Nieuw Israelietisch Weekblad echt niet weten dat mevrouw R.G. Fuks-Mansfeld aan de Universiteit van Amsterdam zo'n leerstoel bezet als hem voor ogen staat? En waarom maakt hij geen melding van het voortreffelijke Juda Palache Instituut? Bovendien zijn er heus wel hoogleraren en andere docenten die aandacht schenken aan het thema en er onderzoek naar verrichten. Ik noem alleen de hoogleraren Huussen in Groningen, Blom in Amsterdam, Mout - en vroeger Schöffer en Van Arkel - in Leiden. Aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam buigen prof. dr. J. Lucassen en de zijnen zich over de joodse arbeidersgeschiedenis. Ook de theologische faculteiten zijn wat dit betreft bronnen van wetenschap. Het Joods Historisch Museum in Amsterdam is een juweel. Aan de geschiedenis der joden is zelfs een apart tijdschrift gewijd, de Studia Rosenthaliana.

Wie even de moeite neemt om het na te gaan, ontdekt dat alleen al de laatste jaren hier te lande vele tientallen wetenschappelijke publikaties over de geschiedenis der joden zijn verschenen. Het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie verdient in dat verband eervolle vermelding: naast het indrukwekkende werk van J. Presser en L. de Jong zijn er onder andere ook het Weinreb-onderzoek en de wetenschappelijke uitgave van het dagboek van Anne Frank. En de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen heeft al jaren een commissie voor de studie van de geschiedenis der joden in Nederland. Zij organiseert in samenwerking met historici uit Israel regelmatig congressen waarvan de resultaten worden gepubliceerd.

Wel is het juist dat de minister van onderwijs ondanks het culturele verdrag met Israel onvoldoende fondsen ter beschikking stelt. Maar dat is geen uitzondering want de minister heeft wel zijn mond vol van internationalisatie, maar voor het financieren van culturele verdragen geeft hij strijk en zet niet thuis. De genoemde commissie bedient Kopuit intussen op zijn wenken. Zij is druk doende met het voorbereiden van een standaardwerk. De uitgave daarvan zal weliswaar nog jaren op zich laten wachten, maar dat ligt gezien de zwaarte van de opdracht in de rede.

Ik zou niet durven zeggen dat dit alles voldoende of onvoldoende is. Maar Kopuit wekt de indruk dat er sprake is van volstrekte verwaarlozing. Dat is feitelijk onjuist. Ik durf bovendien wel te zeggen dat in vergelijking tot andere, in verscheidene opzichten vergelijkbare minderheidsgroeperingen in dit land zelfs onevenredig veel aandacht aan de geschiedenis der joden wordt besteed.

Gezien de inbreng in de recente Nederlandse politieke, sociale, economische en culturele geschiedenis van Indische Nederlanders, van Molukkers, van Surinamers, van zigeneurs en van buitenlandse arbeiders uit Zuid(oost)-Europa en de Arabische wereld is in hun geval op geschiedkundig terrein werkelijk sprake van verwaarlozing. Naar mijn overtuiging is dat even schandelijk als schadelijk. Het is hoog tijd dat de studie van deze groeperingen niet alleen binnen de sociale wetenschappen maar ook binnen de historische discipline eindelijk systematisch wordt aangevat. Binnen de Leidse letterenfaculteit worden plannen daarvoor thans uitgewerkt.