Een geëmigreerde volksschrijver

Oosteuropese schrijvers die de afgelopen veertig jaar in hun eigen land zijn gepubliceerd hebben wat uit te leggen. Als het om "nationale schrijvers' gaat die werden gekoesterd door het regime hebben ze meer uit te leggen. En wanneer het dan ook nog om het meest gesloten en geharnaste communisme gaat, namelijk dat van Albanië, begrijpt men al snel dat aan dat uitleggen geen einde komt.

In zijn onlangs gepubliceerde boek Albanese Lente, het afscheid van een dictatuur (Van Gennep, 1991) doet de befaamde Albanese schrijver Ismail Kadare een poging om zijn levenswandel en oeuvre te rechtvaardigen. Kribbig verweert hij zich tegen de Westerse vragen die meestal een omgekeerde bewijslast impliceren. Waarom zat hij niet gevangen? Hoe kan het dat zijn boeken werden gepubliceerd? Het uitblijven van een vervolging moet toch wel op een vorm van collaboratie wijzen?

Kadare heeft niet veel op met de vragenstellers die “gezeten aan een cafétafel in Parijs of Wenen” lessen in moraal geven: “Ze vergaten dat ik mijn werk had geschapen onder een dictatoriaal bewind en zelfs midden in de dictatuur, in het diepst van haar nacht. Ik was één van de weinige schrijvers van de tweede helft van deze eeuw die onder dergelijke omstandigheden niet alleen hadden gezorgd voor intellectueel voedsel ten behoeve van hun volk, maar er ook in geslaagd waren het dat voedsel voor te zetten en in niet geringe hoeveelheden”.

Zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de Albanese bevolking woog zwaarder dan het risico om als cultureel boegbeeld van een repressief bewind te worden gebruikt, zo antwoordt Kadare. De volksschrijver heeft deze keuze aannemelijk weten te maken door zijn oeuvre. Over de strekking en het belang van Kadares literaire werk kunnen geen twijfel bestaan. Zijn romans staan in het teken van de weerstand tegen het georganiseerde vergeten dat elke dictatuur eigen is. Hij probeert door een beroep op het nationale verleden de mentale onteigening van de Albanese bevolking tegen te gaan.

Meestal gebeurt dat indirect. Kadares schrijven is doortrokken van een ietwat geromantiseerde lotsverbondenheid met Albanië. Kenmerkend daarvoor is onder meer de bezieling van de natuur in zijn romans. “De struiken kondigden de dood aan. Ze hadden de stad omsingeld en lagen als valse kleine beesten op de loer. 's Nachts hoorde ik ze huilen. Het was een gesmoord, nauwelijks waarneembaar gehuil, een zacht janken bijna” (Kroniek van de stenen stad, 1970). Zijn personages zijn geplaatst in onbegaanbare, eeuwige landschappen die zich niets aantrekken van de vluchtige afwisseling van machthebbers.

Zijn kijk op de geschiedenis weerspreekt de officiële doctrine van het Albanese isolement en van de "nieuwe mens'. In zijn boeken is voortdurend sprake van de wisselwerking met de omringende landen in het Oosten en Westen. En verder gaat het vooral om de wederwaardigheden van mensen wier leven zich afspeelt haast onafhankelijk van politieke regimes. De taaiheid van het leven overwint uiteindelijk.

Soms zijn de verwijzingen direct zichtbaar. Bijvoorbeeld in De nis der schande (1978), dat handelt over de onderdrukking van een Albanese opstand door de Ottomaanse heersers in het begin van de vorige eeuw. De titel verwijst naar de nis op een centraal plein in Constantinopel waar de afgehakte hoofden van de verslagen opstandelingen publiekelijk worden getoond als blijvende waarschuwing. De rode draad die door het boek loopt, zijn de betrekkingen tussen het centrum en de rand van het Ottomaanse Rijk. Vooral zijn beschrijving van de normalisering van de buitengewesten lijkt een nauwelijks verhulde verwijzing naar de Albanese geschiedenis van na de oorlog.

Uitvoerig gaat Kadare in op de methoden van "denationalisering', die bestaan uit de opeenvolgende fasen van fysieke onderdrukking, verminking van cultuur, kunst, gebruiken en taal en verzwakking van het nationale geheugen. Als voorbeeld kan het keizerlijke decreet gelden na de onderdrukking van de Albanese opstand: “U wordt opgedragen terstond uw rijke en gekleurde kleren af te leggen en voortaan nog slechts zwart of grijs vilt te dragen. U zult uw haar afsnijden en uw hoofd bedekken met een fez van buffelhuid”. Wie denkt daar niet aan de kappers op de luchthaven van het "moderne' Tirana?

Over het geheel genomen is Kadares vereenzelviging met de onderdrukte nationale identiteit behoedzaam en loopt zeker niet uit op een verheerlijking van het Albanese volk. Maar in een brief aan de president Ramiz Alia, waarin hij pleit voor democratisering van zijn land, werpt hij zich op als spreekbuis van de natie en dan duiken ineens vervuilde termen op als "de verklaarde vijanden van dit land', "Servische chauvinisten', "bekrompen elementen', "gespuis' enzovoorts. Op zulke momenten eisen eenmakende begrippen als "de natie' en "het volk' hun tol.

Interessanter dan zijn formele bemoeienissen met het regime, die tamelijk beperkt lijken, zijn misschien de verleidingen waaraan de volksschrijver bloot staat. De ijdele Kadare poseert in Albanese Lente wel erg als het nationale geweten van zijn land. Na een gesprek met de president noteert hij: “... in deze situatie van algehele onzekerheid, nu alles nog een vraagteken was, versuft, als met stomheid geslagen, was ik ervan overtuigd dat de impuls die ik het staatshoofd had gegeven, doorslaggevend zou blijken”. Het kan zijn dat het verlangen om de critici te doordringen van zijn liberaliserende invloed in passages als deze met hem aan de haal is gegaan.

Toch overtuigt Kadare ook in dit boek als subtiele schrijver. In het slotessay van Albanese Lente geeft hij een zeldzame cultuurpsychologische anatomie van de dictatuur, die alleen door een waarnemer geschreven kan worden die met een half been binnen en anderhalf been buiten de wandelgangen van het Albanese communisme heeft gestaan. Hier is geen dissident en geen partijloyalist aan het woord, maar iemand die uit de legenden, de taal, de gebruiken en de geschiedenis van zijn land een onneembare literaire vesting heeft opgetrokken waar de partij haar tanden op stuk heeft gebeten.

Verrassend en kenmerkend voor zijn denken is de analyse dat het Albanese communisme uiteindelijk op zijn grenzen is gestoten bij de pogingen om het begrafenisritueel te hervormen: “Gedeformeerd, genadeloos drooggelegd als ze was, kwam de taal weer bij als uit een coma. Eeuwenoude zinnen werden weer gesproken: "God heeft het zo gewild' ... En net als de taal probeerde alles weer normaal te worden. Hoe paradoxaal het ook mag lijken, de dood was het leven te hulp gekomen”.

Albanese Lente is in Parijs geschreven. Nadat de eerste aarzelende pogingen tot politieke hervorming in de zomer van 1990 vastliepen, besloot Kadare tijdelijk te emigreren. De voorzichtige patriot, zoals hij zichzelf omschrijft, moest opnieuw veel uitleggen. Waarom nu pas emigreren, terwijl er toch net iets aan het bewegen was in het roerloze Albanië? De teleurstelling over de terugslag na de hoopvolle eerste hervormingen is erger dan de jarenlange onderdrukking, verklaart Kadare sober.

Deze dagen laten radeloze bootvluchtelingen uit Alabanië zien dat hij niet de enige is die er zo over denkt. “Het Albanese volk, dat zoveel jaar uit Europa verbannen is geweest, klopt als de verloren zoon opnieuw aan zijn poorten”, schrijft hij aan het einde van zijn boek. De onthutsende taferelen in het Zuiditaliaanse Bari maken duidelijk dat ze niet welkom zijn.