De kinderen van het jaar

Dagen zijn de kinderen van het jaar. Pasen, Pinksteren en Kerstmis zijn tweelingen, dagen die op elkaar lijken en onafscheidelijk zijn.

Pas wanneer je ze nauwkeuriger bekijkt, zie je verschillen. De tweede paasdag is lichtzinniger dan de eerste, evenals de tweede pinksterdag. De tweede kerstdag is humeuriger dan zijn voorganger. Door het minste of geringste verveelt hij zich. Maar al deze tweelingen houden van lekker eten. Zij zijn verwend en vragen meer aandacht dan de andere dagen van het jaar, meer ook dan de zondagen die al een streepje voor hebben en van vroeg tot laat geliefkoosd willen worden.

De paasdagen zijn landelijke tweelingen. Zij stropen de mouwen op en zoeken tussen de eerste lentebloemen naar gekleurde eieren en de laatste hagelkorrels van de winter. Zij hebben een neus met sproeten.

De pinksterdagen zijn dweepzieke meisjes, altijd te vinden voor een tuinfeest met lampions, waarop het hoe langer hoe later wordt. Zij gaan uit varen, een strooien hoed met zijden linten op een hoofd vol krullen. Zij hebben dunne armen en lange vingers zonder ring. Zij drinken helder water en vinden soms een vogeltje dat uit het nest is gevallen.

De kerstdagen zijn tweelingen die in de bossen zijn opgegroeid maar naar de stad zijn verhuisd om te studeren. Zij krijgen van hun ouders een boom opgestuurd en schrijven een lange brief. Zij blijven op totdat het stil is geworden, omdat stilte afstanden overbrugt. In de stilte luisteren zij naar geluiden van Zweden, Frankrijk, Oostenrijk, van overal waar zij geweest zijn. Zij steken een hand uit naar het sterrenlicht.

Ik houd van de namen van dagen en maanden, nog altijd. Ik vind het vreemd dat de weken geen naam hebben gekregen. Misschien waren er te veel. Er zou een commissie moeten worden benoemd om ook de weken namen te geven. Het zouden meisjesnamen moeten zijn, net als bij tornado's. De eerste week van het jaar zou Aagje heten, de laatste Zidonia. Ik zou in de week Mathilde jarig zijn en in Katharina willen sterven.

Mijn oudste dochter vertelde mij, toen zij nog klein was, dat dinsdag haar aan een lang koekje deed denken. Voor mij was dinsdag vroeger een ongeluksdag. Op dinsdagen sneed ik mij in mijn vingers of moest ik mijn haar laten knippen. Op een dinsdag werd ik ziek.

Ik hield van woensdagen. Zij lagen midden in de week, goed beschut tegen de zondagen die ik in mijn jeugd rampzalig heb gevonden. Elke week is als een lang leven. Op maandag ben je nog jong, op zaterdag stokoud. Op woensdagen voel je je in de kracht van je leven. Ik heb mij sinds lang met de dinsdagen verzoend.

Ik ben blij met iedere dag in de eerste helft van het jaar. Na juni of juli begint het jaar te verouderen. Melancholie sluipt in je bloed. Gelukkig behoor ik tot de mensen die in de herfst vrolijk worden. Voor mij is het een lichtzinnig jaargetijde, een overspelige vrouw met een vragend kind dat op haar lijkt. Het jaar blijft ook telkens stilstaan om na te denken. Langzamerhand raakt het slecht ter been.

Oud en nieuw zijn Siamese tweelingen. Zij kunnen zonder elkaar geen voet verzetten. Als de één wakker blijft, kan de ander niet slapen. Ieder jaar doen wij een poging hen te scheiden, een operatie waaraan de hele mensheid deelneemt. Het gefluit van boten, het geknal van vuurwerk verkondigen ons elk jaar opnieuw dat het weer niet is gelukt.

Er blijft ons niets anders over dan op hun gezondheid te drinken. Want ook het verleden sterft niet zonder ons.