Bij de herbegrafenis van twee grote Pruisische koningen; Kohls mantel der geschiedenis

Bondskanselier Helmut Kohl zal er komend weekeinde bij zijn als in Potsdam de twee grote koningen van Pruisen uit de achttiende eeuw worden herbegraven: Frederik Wilhelm I en Frederik II, die nu nog Hohenzollernburcht bij Stuttgart in "ballingschap' liggen.

Als de mantel der geschiedenis wappert, is Kohl in de buurt. En waarom ook niet? Kohl is historicus en hij mag graag biografieën lezen en begraafplaatsen bezoeken. Nu is een juist omgaan met de geschiedenis gebaseerd op nieuwsgierigheid, scepsis en de bereidheid de historische erfenis te aanvaarden. Zo gezien is elke historische belangstelling goed, zeker in Duitsland. Want die erfenis maakt het voor de Duitsers nog altijd moeilijk onbevangen historische helden van van de sokkel te trekken, of nieuwe standbeelden op te richten. Het trauma van het nationaal-socialisme en de daaropvolgende Duitse deling zorgden voor een splijting van het Duitse geschiedbeeld. De Duitsers hebben sinds 1945 altijd ruzie gekregen als het om het uitleggen van het eigen verleden ging of om de vraag wie nu eigenlijk de Duitsers waren: die in de DDR of die in de Bondsrepubliek. Dat laatste probleem is met de hereniging formeel opgelost, het trauma van de aanvaarding van de erfenis blijft.

Van diverse zijden wordt Kohl bekritiseerd om zijn voorgenomen privé-pelgrimstocht naar Potsdam. Want Kohl is behalve historicus toch in de eerste plaats politicus. Dus heeft hij ongetwijfeld ook politieke redenen om de bijzetting van de "soldatenkoning' en de Grote Frederik bij te wonen. Welke? Is het de behoefte om in het verenigde, nieuwe Duitsland definitief een eind te maken aan de historische gespletenheid, de "ontpruisificering' en de daaruit voortgevloeide "Geschichtslosigkeit'? Wil hij eindelijk een "nationale identiteit' scheppen, vanuit de gedachte dat het ontbreken van een sterk, door alle burgers gedragen geschiedbeeld het land ook politiek verzwakt? Of is het, met het oog op de volgende verkiezingen, een poging om tegelijkertijd de stemmen van het gedesoriënteerde rechtse blok te winnen en om de nu protesterende sociaaldemocraten, die ook al tegen de snelle hereniging waren, opnieuw buiten de Duitse geschiedenis te plaatsen?

Aangezien vooral Frederik de Grote na zijn dood steevast als politiek instrument is gehanteerd, is het op zijn plaats als bondskanselier Kohl uitlegt waarom hij eigenlijk zijn vakantie onderbreekt om naar Sanssouci te reizen. Welke betekenis hebben de twee koningen, en de Pruisische geschiedenis voor hem persoonlijk? En wat kunnen de huidige Duitsers van deze stichters van het Pruisen als grootmacht leren? Alleen zo zou hij een nuttige bijdrage leveren aan de discussie over het eigen verleden en over de functie ervan voor het heden.

Wat was Pruisen? Sebastian Haffner omschreef Pruisen als een staat waarop niemand had zitten wachten, maar die er zelf wilde zijn, die als een meteoor aan het Europese firmament opkwam en weer onderging, die niet historisch en organisch was gegroeid maar willekeurig bijeengevoegd en ruw tot een geheel was vertimmerd. In de zestiende eeuw kwam het verre kolonistengebied Pruisen door toeval in handen van de Hohenzollern-familie die in Brandenburg leefde. Vanaf dat moment had de familie het probleem hoe ze van al haar geografisch gescheiden bezittingen een aaneengesloten, uniform bestuurde staat moest maken. Dat kon door de ontbrekende Duitse stukjes in de Pruisische legpuzzel te verwerven of te veroveren. De Grote Keurvorst begon er mee, de "soldatenkoning' en de Grote Frederik zetten zijn werk met kracht voort. Waarom ze dat wilden? Uit persoonlijke ambitie en uit objectieve staatspolitieke noodzaak.

“Deze staat diende alleen zichzelf, diende zijn behoud, dat ongelukkigerwijs, zoals de dingen geografisch lagen, tegelijk onvermijdelijk ook zijn vergroting betekende”, aldus Haffner. Versterking van het leger was het voornaamste instrument, en alle ontwikkelingen die het klassieke Pruisen tot de modernste staat van Europa maakten, zijn hierop terug te voeren. Een sterk leger betekende hoge staatsuitgaven, dus hoge belastingen, een straf georganiseerd financieel bestuur, economische groei, actieve economische politiek, vermeerdering van de bevolking en een enthousiaste immigratiepolitiek.

Wie was Frederik Willem I? Een zuinig en spartaans man die, toen hij in 1740 stierf, zijn zoon een als een olievlek uitgedijde, aaneengesloten, moderne staat naliet met een goed gevulde rijkskas.Wie was Frederik de Grote? Intellectueel, muzikaal, humanist en cynisch veroveraar. Hij schafte het martelen vrijwel af, stond persvrijheid toe, was in religieus, sociaal en politiek opzicht tolerant. Hij appelleerde niet aan vaderlandsliefde, nationaal gevoel of traditie, uitsluitend aan plichtsgevoel. Maar al die tolerantie en vrijzinnigheid berustten op onverschilligheid. Over de cavallerist die het met zijn paard had gedaan, zei hij slechts: “Plaats het zwijn over naar de infanterie”. Dat hij met zijn overtuiging dat God dood was, nog verder ging dan zijn vriend Voltaire, leidde ertoe dat de staat Gods plaats innam en dat het plichtsgevoel tegenover de staat sterker werd dan tegenover God.

In de oorlogen die Frederik de Grote voerde, was het recht bijna altijd aan de zijde van de vijanden. Nog in 1740 overviel hij zonder aanleiding Silezië dat aan Oostenrijk behoorde. In 1756 besloot hij, in het nauw gebracht door de Grote Coalitie van Oostenrijk, Frankrijk en Rusland, een preventieve oorlog te voeren tegen Saksen en hij wist in de daarop uitbrekende Zevenjarige Oorlog tegen deze overmacht stand te houden, ook al zag het er in 1762 hopeloos uit. Dit taaie volhouden, deze karaktersterkte, veroorzaakte zijn heldendom waardoor zijn tijdgenoten hem De Grote noemden. Dat hij in 1762 werd gered door de dood van zijn tegenstandster tsarina Elisabeth, en "het wonder' van de daaropvolgende "renversement des alliances' van haar opvolger, doet hier niet zo veel aan af.

Deze oorlog heeft sindsdien gefungeerd als les in de Duitse geschiedenis. Parolen als: "grote mannen maken geschiedenis', "een preventieve oorlog is noodzakelijk', "volhouden', "wachten op het wonder', telkens werd Frederik de Grote er bij gesleept als het lichtende voorbeeld. In de Eerste Wereldoorlog vergeleek het "belaagde' Duitse keizerrijk de doortocht door België met Frederiks "noodzakelijke' preventieve aanval op Saksen, en daarna in de loopgraven was het voornamelijk "volhouden!' geblazen.

Voor Hitler was Frederik de Grote dè grote held. Al in Mein Kampf noemde Hitler Frederik met Luther en Wagner “de drie grote mannen die werkelijk groot zijn geweest”. Op zijn verjaardag in 1940 kreeg hij tranen in de ogen bij het in ontvangst nemen van zijn cadeau: een porseleinen buste van zijn held. In april 1945 las Goebbels de bedrukte Hitler in diens bunker uit de Frederikbiografie van Carlyle het hoofdstuk voor over de hopeloze situatie in de winter van 1761-'62 en de onverhoopte redding door de tsaar. Op zijn laatste levensdag maakte hij zich alleen nog zorgen over het Frederik-schilderij dat hij sinds 1934 overal met zich had meegesleept.

Tussen Mein Kampf en Hitlers zelfmoord speelde de Grote Frederik een belangrijke rol in de nazi-propaganda: op de "Tag von Potsdam' op 21 maart 1933 toen Hitler de brug tussen het Derde Rijk en het Hohenzollern-verleden wilde slaan; bij de "preventieve' aanval op Polen toen hij de geallieerden waarschuwde dat ze nu weer een "Friedriziaans' Duitsland voor zich hadden; na de mislukte "Operatie Barbarossa', en in de "Wollt ihr den totalen Krieg'-rede in februari 1943 toen Frederik als stimulans moest dienen om overeind te blijven. Daarna beklemtoonden Hitler, Goebbels en Göring de noodzaak te vertrouwen op een wonder als in 1762, een wonder dat even ontwaard werd in de dood van president Roosevelt. Uiteraard identificeerde Hitler zich alleen met de oorlogvoerder Frederik.

Na de oorlog werd Frederik de Grote taboe: de zondebok, de demon van Duitsland, tot er in de jaren tachtig een genuanceerder beeld ontstond. Ten tijde van Frederiks tweehonderdste sterfdag, in 1986, ging het in de zogeheten "Historikerstreit' om de vraag of het Duitse nationaal-scoialisme inderdaad slechts het gevolg was van de houding van enkele hoofdschuldigen. President Richard von Weizsäcker sprak toen in Berlijn een zinnige rede uit waarin hij uitvoerig het misbruik van de mythe van Frederik de Grote schetste “waardoor het wezen van de "Alten Fritz' een onzinnig geweld werd aangedaan”. Want ondanks alles vertegenwoordige hij “niet het slechtste deel van de nalatenschap uit onze geschiedenis”. De discussie over de continuïteit in de Duitse geschiedenis hoeft nu niet opnieuw te worden begonnen. Veel historici zagen een ongebroken lijn van Luther, via Frederik de Grote en Bismarck naar Hitler lopen. Inmiddels zijn er nog maar weinigen die volhouden dat de Pruisische "Pünktlichkeit' automatisch moest uitmonden in de perversie van de bureaucratisch georganiseerde massamoord onder Hitler. Bismarck was bijvoorbeeld met zijn "politiek als kunst van het mogelijke' niet zo'n liefhebber van risico's als Frederik en Hitler schafte alle positieve eigenschappen van het klassieke Pruisen - rechtsstaat, persvrijheid, welwillendheid jegens niet-Duitsers - na de "Tag von Potsdam' af.

Blijft dus over de functie van Frederik voor het heden. Gelooft Kohl in het adagium "historia magistra vitae' en wil hij de Grote Frederik toch ten voorbeeld stellen aan de herenigde maar tobberig geworden Duitsers? Om daarmee te kennen te geven dat het weliswaar slecht gaat met de Oostduitse economie, maar dat het wonder toch wel komt? Dat hij net als Frederik in staat zal zijn een nieuw gebied te integreren in de nieuwe staat? Het zou aardig zijn als we iets meer over te horen krijgen over dit praktische nut van de geschiedenis.

Nietzsche schreef: “Alles hangt, zowel bij het individu als bij het volk, er vanaf dat men op het juiste moment evengoed kan vergeten, als dat men op het juiste moment zich zaken herinnert; dat men instinctief aanvoelt wanneer het nodig is historisch en wanneer onhistorisch te denken. Het historische en het onhistorische is even noodzakelijk voor de gezondheid van de mens zelf, van een volk en van een cultuur”.

Het is de vraag of het nu zo nodig is dat de Duitsers weer historisch denken. De problemen van vandaag laten zich niet oplossen met het kijken naar de Grote Frederik. Al die vlijt en en al die plichtsbetrachting van de fanatieke werker Frederik de Grote hebben in de huidige vrijetijdsmaatschappij niet meer dezelfde waarde. Nu zijn internationale integratie en samenwerking, waar Frederik niet zo goed in was, nodig.

Dat het komende mediaspektakel in Potsdam het begin is van een nieuwe "verpruising' is moeilijk voorstelbaar, ook al is er een vereniging opgericht die de in 1947 opgeheven staat Pruisen weer tot leven wil wekken. En tenslotte zijn er genoeg Duitse historici van formaat opgestaan om te wijzen op het lichtelijk "smakeloze' karakter van de vertoning in het nachtelijke Sanssouci en om te voorkomen dat deze complexe historische persoonlijkheid opnieuw wordt gereduceerd tot de eenzijdige legendefiguur die hij zo lang is geweest. Om onaangename demonstraties te voorkomen zou Kohl er goed aan doen zich publiekelijk, zoals Von Weiszäcker in 1986, bij deze Frederik-exegeten te voegen, als historicus, maar vooral als politicus.