Bank of England wees voorstel BCCI-banken samen te voegen af

ROTTERDAM, 12 AUG. De Bank of Credit and Commerce International (BCCI) heeft de Bank of England in 1985 en 1986 voorgesteld vestigingen in Groot-Brittannië en andere onderdelen van de bank samen te voegen tot een Britse bank. De Bank of England wees de voorstellen van de hand, hoewel werd ingezien dat de samenvoeging kon leiden tot een beter toezicht op de bank en de managers. Dat heeft het Britse dagblad de Financial Times gemeld.

De belangrijkste reden voor de afwijzing was dat de Britse centrale bank als toezichthouder ook voor grote delen van de BCCI buiten Groot-Brittannië verantwoordelijk zou zijn geworden, zonder dat de bank de zekerheid kreeg dat zij inzicht zou krijgen in alle handelingen van de BCCI in het buitenland. Vooral het ontbreken van toezicht op de transacties van de BCCI op de Kaaiman-Eilanden, een van de voornaamste centra van de BCCI, werkte de terughoudendheid van de Bank of England in de hand. De Britse centrale bank was bang te worden gezien als mondiaal toezichthouder van de BCCI, terwijl zij daarvoor in de praktijk niet voldoende middelen tot haar beschikking had.

Het Luxemburgse Monetaire Instituut, dat wegens de vestiging van de moedermaatschappij BCCI Holdings SA in het Groothertogdom toezichthouder was op de Europese vestigingen van de bank, was voorstander van de plannen van de BCCI zich te concentreren in Groot-Brittannië. Pierre Jaans, hoofd van het Luxemburgse instituut, waarschuwde de Europese centrale banken er begin jaren tachtig al voor dat Luxemburg niet de aangewezen plaats was om de BCCI in de gaten te houden. Weinig transacties verliepen via het land en de BCCI Holdings SA kon niet worden gecontroleerd omdat Luxemburg geen specifieke controle kent op holdings. Een naaste medewerker van de sjeik Zayed bin Sultan al-Nahyan van Abu Dhabi, die tevens onderhandelde over een reddingsplan voor de BCCI, is persoonlijk verwikkeld geweest in een onwettige transactie. Dit meldt de Franse krant Libération. Ghanim Faris Al Mazroui zou niet alleen van alle frauduleuze handelingen van de BCCI op de hoogte zijn geweest maar ook persoonlijk hebben geprofiteerd. Libération, dat zegt te beschikken over een ongecensureerd exemplaar van het BCCI-rapport van de accountants Price Waterhouse, beweert dat Mazroui een rekening bezat bij de ICIC, een verlengstuk van BCCI op de Kaaiman-Eilanden. Mazroui zou op die rekening in 1986 geld van BCCI hebben ontvangen om daarmee aandelen BCCI te kopen met een garantie tegen een eventueel koersverlies op die aandelen.

Ghanim Mazroui onderhandelde al ruim een jaar met de Britse centrale bank over een plan waarbij de grootaandeelhouders van BCCI (de familie van de sjeik) de dubieuze leningen van de bank zouden overnemen en tegelijk nieuw geld zouden fortuneren voor een herkapitalisatie. Eerder had de Financial Times gemeld dat de grootaandeelhouders en de regering van Abu Dhabi in april 1990 volledig over alle problemen bij de BCCI waren ingelicht. Abu Dhabi heeft dit steeds ontkend. De Britse krant beschikte volgens eigen zeggen slechts over een exemplaar van het accountantsrapport waarin de namen van personen waren weggelaten en namen van betrokken banken of bedrijven waren gecodeerd.