Asean op kruispunt

TERWIJL HET Westen onder Amerikaanse leiding vaste voet heeft gekregen in het Midden-Oosten staan de Westerse posities in het Verre Oosten onder toenemende druk.

Niet van de kant van de aloude rivaal de Sovjet-Unie en zelfs maar tot op zekere hoogte van de zijde van China. Veel meer is er sprake van een nieuw type zelfverzekerdheid van verschillende individuele landen, een zelfverzekerdheid die ook tot uitdrukking komt in een herwaardering van hun onderlinge betrekkingen. Vanzelfsprekend treedt Japan hierbij al sinds jaren op de voorgrond, maar het verschijnsel beperkt zich niet tot het keizerrijk.

Het verloren gaan van het juweel Hongkong voor de Britse kroon straks in 1997 spreekt misschien het meest tot de verbeelding. Het verloren gaan van Clark Airbase voor de Amerikaanse luchtmacht als gevolg van de uitbarsting van de Pinatubo mag symbolisch worden genoemd. Zeker zo boeiend is het nieuwe elan dat de landen van ASEAN (Filippijnen, Indonesië, Singapore, Maleisië, Brunei, Thailand) onlangs hebben gedemonstreerd. Sinds de oprichting van deze landengroep in 1967 is de Associatie van Zuidoostaziatische Naties niet veel meer geweest dan een los verband waarin zaken van algemeen politiek belang werden besproken. Maar de pogingen gedurende de afgelopen paar jaar om voor de kwestie-Cambodja een oplossing te zoeken hebben de organisatie een krachtige impuls gegeven. Op de jongste bijeenkomst deze zomer is bovendien het vizier ingesteld op bevordering van de economische samenwerking, een doelstelling waaraan tot dusver slechts lippendienst was bewezen. De leden (met uitzondering van Singapore) waren immers en zijn tot op grote hoogte nog steeds gebonden aan het klassieke patroon van leverancier van grondstoffen aan de hoog-geïndustrialiseerde wereld.

MET HET zoeken van een oplossing voor de kwestie-Cambodja is nu een kruispunt bereikt. Samen met de VS, Vietnam en de Cambodjaanse partijen heeft ASEAN de weg getekend waarlangs een herstel van de Cambodjaanse soevereiniteit mogelijk moest worden gemaakt. De terugtrekking van de Vietnamese strijdkrachten uit Cambodja schiep de eerste voorwaarde daartoe. Maar de volgende fase, vorming van een overgangsbewind en organisatie van vrije verkiezingen, alles onder toezicht en met hulp van de Verenigde Naties, bleek moeilijker te verwezenlijken. Wantrouwen tussen de Rode Khmer en zijn op Vietnam georiënteerde afsplitsing was nauwelijks te overbruggen. Alle hoop was ten slotte gevestigd op het eeuwige Cambodjaanse wonderkind, prins Norodom Sihanouk.

Maar nu is er sprake van een onverwachte ommekeer. China en Vietnam zouden hun traditionele rivaliteit opzij hebben gezet om een van de laatste bastions van het wereldcommunisme niet verloren te laten gaan. Een regelrechte verzoening tussen de twee Cambodjaanse communistische fracties zou Sihanouk zelf mogelijk nog een opening laten, maar de groeperingen die tot dusver door het Westen werden gesteund zouden het onderspit delven. Ook het door het Westen en door ASEAN gesteunde initiatief van de Verenigde Naties zou bij voorbaat kansloos zijn gemaakt. De beweerde aanwezigheid van Pol Pot - de leider van de Rode Khmer gedurende de periode van de "killing fields' - in de coulissen van het interne Cambodjaanse beraad kan een aanwijzing zijn voor een revolutie in de bondgenootschappen.

EEN CAMBODJA dat zou worden afgeschermd voor de democratiseringsbeweging die de Verenigde Staten in de Derde wereld trachten op gang te brengen, zou de voorzichtige toenadering tussen Washington en Hanoi allerminst bevorderen en zou ook de relaties tussen Amerika en China onder nieuwe druk zetten. In feite zou het hier gaan om een nogal grove poging de "nieuwe wereldorde' van president Bush te dwarsbomen.

ASEAN zou niet aan de gevolgen van een dergelijke onheilspellende ontwikkeling kunnen ontkomen. Haar jonge zelfverzekerdheid zou snel plaats kunnen maken voor onzekerheid en verdeeldheid. Het volgen van een verzelfstandigde koers is uitsluitend aantrekkelijk zolang de bakens duidelijk zichtbaar zijn.