Wie betaalt welke rekening?

DE AUTO WORDT dikwijls in agrarische termen beschreven. Heilige koe van de bezitter, melkkoe van de rijksoverheid. Vooral de laatste vergelijking is actueel. Een kabinet dat de benzine-accijns en de motorrijtuigenbelasting verhoogt, kan rekenen op luid getoeter rondom het Binnenhof. Verontwaardigde automobilisten komen de rekening vereffenen in de overtuiging dat zij het (weer) zijn die voor de tekorten in de staatskas opdraaien.

Dat is nog wat anders dan op 30 december 1926, toen de Wegenbelasting werd ingevoerd. Dat gebeurde juist op verzoek van de georganiseerde automobilisten. Zij dachten zo de staat de financiële middelen te verschaffen om het wegennet te verbeteren.

Het duurde acht jaar voordat de rijksoverheid ontdekte dat met wegenbelasting meer kon worden gedaan dan wegen aanleggen. Met die vondst werd de naam veranderd in motorrijtuigenbelasting en stond de fiscale doelstelling voorop: zij werd primair geheven om de overheid algemene middelen te verschaffen. Daarvan kon eventueel ook infrastructuur worden bekostigd.

PAS SINDS 1965 is er weer sprake van een directe relatie tussen de auto en de motorrijtuigenbelasting. Een deel van de opbrengst wordt in de vorm van opcenten jaarlijks gestort in het Rijkswegenfonds, waaruit aanleg en onderhoud van wegen, bruggen, tunnels en fietspaden worden gefinancierd. Een paar jaar geleden kwam daar het Mobiliteitsfonds bij, speciaal ter verbetering van de infrastructuur in de Randstad. Ook de opbrengsten van brandstofaccijnzen worden gedeeltelijk gebruikt voor de uitvoering van de verkeers- en vervoersplannen van het kabinet.

De motorrijtuigenbelasting heeft in de loop der jaren meer wijzigingen ondergaan. Zo gold tot 1975 dat alleen auto's die op de openbare weg reden werden belast. Stilstaan was gratis. Daarna gaf het besef de doorslag dat auto's gewoonlijk worden aangeschaft om ermee te rijden - wat de controle vereenvoudigde. De motorrijtuigenbelasting geldt in principe voor alle personenauto's, al zijn er vrijstellingen: taxi's bijvoorbeeld. Sinds 1981 verschaft de motorrijtuigenbelasting de provincies een eigen belastinggebied via opcenten; de besturen mogen de heffing tot een bepaald maximum naar eigen inzicht vaststellen.

De automobilist betaalt behalve brandstofaccijns en motorrijtuigenbelasting, bij de aanschaf van zijn wagen, ook nog BTW en bijzondere verbruiksbelasting. Hij vormt een bron van inkomsten voor de armlastige staat met aan de debetzijde een bont scala: algemene overheidsmiddelen, rijkswegenfonds, mobiliteitsfonds, provinciekas. Gelet op de voornemens van het kabinet zijn in 1993 nieuwe verhogingen van de brandstofaccijns en de motorrijtuigenbelasting te verwachten, al zullen die mede afhankelijk zijn van de grenzen en eisen die de EG aan harmonisatie van belastingen kan stellen.

ALS HET profijtbeginsel in een systeem van bestemmingsheffingen en retributies wat meer tot uitdrukking zou komen, is daarmee niet het fiscale paradijs voor de autobezitter aangebroken. Wie dat verwacht vergeet dat een heilige koe ook gras vreet. Het Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven (IOO), een particuliere instelling, heeft twee jaar geleden de balans opgemaakt van uitgaven voor en door de automobilist. Wie de overheid louter beschouwt als nutsbedrijf voor wegenbouw zal menen dat de automobilist te veel betaalt. Wie echter vindt dat de opbrengst van de benzine-accijns slechts dient om de auto ruimer baan te geven, ziet over het hoofd, noteerde het instituut ironisch, dat alcoholaccijns ook niet wordt gebruikt om cafés in stand te houden.

Hoewel het een waagstuk is alle maatschappelijke kosten op een rij te zetten die de auto veroorzaakt op het gebied van bijvoorbeeld het milieu, de verkeersveiligheid en het ruimtebeslag, is het duidelijk dat het om meer gaat dan de kosten van goede infrastructuur. Het Instituut concludeerde - de recente accijns- en belastingverhoging was nog niet doorgevoerd - dat er eerder sprake is van een nog onbetaalde rekening, in te dienen bij de automobilist, dan omgekeerd.

DE GELOOFWAARDIGHEID van de politiek is er niet mee gediend dat de relatie tussen de belastingbetaling door de burger en de prestatie van de overheid zo schimmig blijft als zij nu is. Zeker gelet op de permanente paradox van de laatste jaren. De regering roept in tv-spotjes op tot minder autogebruik, maar tegelijk moet zij de consequenties van die oproep vrezen, het tekort op de rijksbegroting zal toenemen en nog grotere financieringsproblemen, bijvoorbeeld bij de verbetering van het openbaar vervoer, zullen het gevolg zijn. Wat uit een oogpunt van milieu- en mobiliteitsbeleid wordt verlangd, kan gemakkelijk in strijd zijn met de financiële belangen van de staat. De rijksoverheid heeft de plicht haar motieven voor de heffing van motorrijtuigenbelasting duidelijk te maken.