WENDE

Spring in winter redactie Gwyn Prins 252 blz., Manchester University Press 1990, f 64,50 ISBN 0 7190 3445 0

Waarom heeft het ruim veertig jaar geduurd voordat democratie en vrijheid werden hersteld in Oost-Europa nadat in veel van die landen kort na de Tweede Wereldoorlog een meerpartijen-democratie met vrije verkiezingen is ontstaan? Daarvoor zijn globaal drie theorieën aan te geven: het scenario van kolonisatie door de Sovjet-Unie (met andere woorden: de recente revoluties in Oost-Europa waren gericht tegen een koloniaal rijk); het scenario van "sociale democratisering' (de sociale revolutie van 1947-1948 die de Oosteuropese landen van een feodaal regime tot een modern land transformeerde, liep uit de hand toen deze als het ware werd gekaapt door de communistische Sovjet-Unie; en tenslotte een scenario gebaseerd op de politieke theorie van De Toqueville. Deze these behelst de gedachte dat revoluties - in casu de Franse revolutie van 1789 - niet noodzakelijk zijn respectievelijk zouden zijn geweest omdat krachten die tot verandering zouden leiden, zich al eerder deden gelden. In die optiek is een revolutie een onderbreking van een normaal evolutionair proces. De landen in Oost-Europa maakten met andere woorden een "Toquevillian detour' van veertig jaar, toen markteconomie en democratie in de knop werden gebroken. De derde theorie verklaart de ontwikkelingen in Oost-Europa het beste, maar de eerste twee zijn eveneens gedeeltelijk geldig. Aldus geciteerd van een Hongaarse politicoloog in een recent verschenen boek over het Oosteuropese revolutiejaar 1989.

Naast Elemer Hankiss (Hongarije, filosoof en politicoloog, hoofd Hongaarse Televisie), leverden onder anderen Janusz Ziolkowski (Polen, hoogleraar sociologie in Poznan, aanhanger Solidariteit en lid van de Senaat), Jens Reich ((ex)-DDR, oprichter "Neues Forum') en Jan Urban (lid Charta 77, journalist en belangrijk woordvoerder van Burgerforum) een bijdrage."Good old' John Kenneth Galbraith schreef een pleidooi voor de noodzaak van Westerse hulp. Het niet behandelen van Bulgarije, een door de samensteller grif toegegeven omissie, wordt ruimschoots goedgemaakt door een onnavolgbaar voorwoord van de Tsjechische dissident-president Havel. Humor en eerlijkheid markeert deze als essentiële componenten van de "unbelievable shift' in 1989, evenals geweldloosheid, terwijl hij als eigen richtsnoer herinnert aan het simpele adagium van de eerste Tsjechische president Tomas Masaryk: ""Vrees niet en steel niet.''

Wat als rode draad door de verschillende landen-hoofdstukken loopt is de verscheidenheid aan factoren (sociaal, cultureel, economisch, politiek) en de uiteenlopende "pre-revolutionaire uitgangssituaties' die de diverse Midden- en Oosteuropese landen in 1989 kenmerken, ondanks de gelijktijdigheid van de gebeurtenissen in de herfst van dat jaar. Niet voor niets draagt de bijdrage over Hongarije als titel "What the Hungarians saw first' (namelijk de noodzaak van pluralisme). De voornaamste these van Hankiss is die van de wet van de remmende voorsprong die voor zijn land geldt. Juist omdat Hongarije al in 1988 meerdere partijen toestond, is de "innocence' van de revolutie van 1989 aan dit land voorbij gegaan. De duivel van de monolithische communistische partij was al weg, met onder andere als gevolg dat meer dan 52 politieke partijen geregistreerd zijn: ""We were left without an enemy, so we turned against one another.'' En zeker ook voor Polen geldt een voortrekkersrol. Het begin van de Poolse revolutie legt Ziolkowski al in 1956, toen Gomulka ""failed to follow through the chances for reform after 1956, and thus ruined the subsequent chances of the communist Party to lead reform. There is no more communism in this country. In my opinion, it was killed in 1956. Solidarnosc was born into a Post-Communist Society.''

Weinig aandacht krijgt de discussie over hoe het veiligheidsvacuüm van de Midden- en Oosteuropese landen kan worden opgevuld; ook de verhouding tot de Sovjet-Unie komt niet uit de verf. Het is ietwat wonderlijk in een boek over Oost-Europa de begrippen CVSE, NAVO en WEU niet tegen te komen. Toch is dat een verdedigbare keuze. Dat geldt ook voor de beslissing als "cut off date' voorjaar 1990 te nemen met als gevolg dat de eerste wankele schreden op het democratische pad weinig reliëf krijgen.

Spring in Winter mag dan niet het laatste woord over de "zachte revoluties' in Oost-Europa zijn, en zeker niet de finale systematische analyse van onderlinge samenhang en verschillen tussen de revoluties, het geeft wel een goed beeld van binnenuit in het "absurdistan van de geest' zoals de beschrijving van Tsjechoslowakije vóór november-december 1989 treffend luidt.