Taxi's

In de afgelopen jaren heb ik altijd geprobeerd, politiek en overpeinzing te scheiden, dat wil zeggen, alleen onderwerpen aan te roeren waarmee de politiek zich beter zou kunnen bezighouden dan allerlei dingen waarmee ze zich meestal bezighoudt, maar er is een grensgebied en dat is de taxi.

Wat zou de journalist zijn zonder de taxichauffeur?

""Op mijn weg van het viegveld naar de hoofdstad wist de taxichauffeur mij te vertellen...''

Hoeveel reportages zijn zo begonnen?

Meestal wist de taxichauffeur zijn passagier niet veel goeds te vertellen.

Dat spreekt vanzelf. Een taxichauffeur is iemand die dikwijls meer doet dan een wildvreemde vlug en veilig van A naar B vervoeren. Hij of zij doet dat in de intimiteit van een gesloten ruimte. 's Winters zijn de ramen dicht. In de ochtendspits gaat het nog wel; zelfs de tram ruikt dan naar zeep maar naarmate de dag vordert raken meer passagiers verder verwijderd van het tijdstip waarop ze zich het laatst gewassen hebben.

Zeldzaam zijn de passagiers die zoveel mogelijk hun mond houden. Het samenzijn in het rijdende kamertje werkt op de mededeelzaamheid. Praatjesmakers, opscheppers, dol- of ongelukkigen, weerberichters, hengelaars, mensen die terugkeren van de dokter of sociale zaken, loterijwinnaars, zuiplappen, grappenmakers, hoerenzoekers, voetbalgekken, wat heb je verder: voor al die mensen is de chauffeur het doelwit. Hij is de enige biechtvader, gids, psychiater, ombudsman die tegelijkertijd op het verkeer moet letten. Terwijl hij dat met succes doet, hoort hij meestal slechte berichten. Onder de taxichauffeurs heb je racisten, dat is bekend. Maar hoeveel racisten hebben ze onder hun passagiers? Dat is minder bekend. De kijk van de chauffeur op de mensheid wordt, als hij niet oppast, bepaald door wat dag in dag uit, een werkjaar lang, zijn éénritspatiënten hem in de rijdende behandelkamer toevertrouwen. De patiënten stappen opgelucht uit, de chauffeur verwacht de volgende, in nog onbekende nood verkerende klant.

Nu stapt er een journalist in: ""Hoe staan de zaken?''

Eindelijk de rollen omgedraaid! Dit land staat in zijn geheel aan de rand van de afgrond; dat hoort de chauffeur dagelijks in alle toonaarden uit de beste bronnen. Daarom leest u in de krant dat het vaak niet goed gaat in landen waar taxi's rijden.

Ter afwisseling een verhaaltje.

Op het trottoir, buiten het Gare de Lyon, er zijn veel treinen aangekomen, er staat een rij passagiers van wel honderd meter, maar wat de taxislang aan de andere kant van het hekje aan kop verliest groeit aan de staart even snel weer bij. Iedere kop hapt snel zijn vrachtje. Vijf vrachtjes voor me staan met veel bagage een tanige grootvader, een vieve oma en hun kleinkind. De oma heeft een poedeltje op de arm, minuscuul grijs hondje, goed geschoren, spitse snuit, en in de blik een verstand dat je menig mens zou toewensen. Het gezelschap is aan de beurt: snel inladen, het kind zit al, maar dan ontdekt de chauffeur het poedeltje en heft in afgrijzen de handen: "Geen honden!'

Tegen deze weerzin helpt geen argument. Alles staat in een oogwenk weer op straat, het lijkt even op de ontruiming van een huis bij Bordewijk. Erger, want de volgende taxi neemt ook geen honden, de daarop volgende ook niet en die daarna evenmin. In de toeschouwers vechten nieuwsgierigheid en mededogen om de voorrang maar de oma blijft monter; op haar steunt het moreel van de familie. Dan rijdt de zesde taxi aan. Ik kan m'n ogen niet geloven. Achter het stuur zit een hond, een groot zwart dier vervuld van scepcis: ""Wat is hier aan de hand!''

U hoopt dat ik u niets op de mouw zit te spelden, en misschien zou ik de wereld feliciteren als het waar was, maar deze hond zit heel dicht naast zijn trouwe baas de chauffeur. Vandaar deze begrijpelijke vergissing. De honden zijn nog niet zo ver als de mensen dat ze, vreemden voor elkaar, met hun tweeën in een taxi kunnen, en daarom moet de familie met het poedeltje weer wachten. De volgende chauffeur, die - zo hoor ik later van mijn chauffeur - in Parijs niet als de grootste hondenvriend bekend staat, is vermurwd. Ze mogen mee. In de rij klatert een applausje.

Waar was ik? Bij de keerzijde van de medaille.

Ik ben toevallig tegen de treintaxi omdat ik er geen zin in heb, met meer dan één wildvreemde in het benauwde kamertje van een auto te zitten, ook niet tegen reductie. Zeker, luidt de tegenwerping, maar dat is ook niet nodig. De treintaxi is er voor de marginale passagier die de gewone taxi alleen kan betalen als hij zijn spaarvarken aanspreekt. Juist! De treintaxi in deze vorm is geen vooruitgang maar een symptoom van de wanorganisatie waaronder het grootstedelijk taxibedrijf in heel Nederland al jaren te lijden heeft, en die is weer het gevolg van het nationaal perfectionisme waarmee altijd het tegengestelde van het doel wordt bereikt. Fraudebestendig paspoort, WAO, mestoverschot, VUT, PvdA, al die onderwerpen die ik hier 599 keer met succes heb weten te vermijden.

Ook nu is het me gelukt.