OFFICIER VAN ONRECHT ONDER STALIN

Gnadenlos. Andrei Wyschinski. Mörder im Dienste Stalins door Arkadi Waksberg, uit het Russisch vertaald door Bernd Rullkötter (ook vertaald in het Engels: Stalin's Prosecutor. The Life of Andrei Vyshinsky, Grove Weidenfeld 1991) 495 blz., Gustav Lübbe Verlag 1991, f 52,90 ISBN 3 7857 0581 6

Op de Londense conferentie van de ministers van Buitenlandse Zaken van de vier mogendheden in 1947 werd Andrej Wysjinski aan een lid van het Engelse koningshuis volgens het protocol voorgesteld als "plaatsvervangend minister van Buitenlandse Zaken van de Sovjet-Unie'. De Engelse diplomaat Sir Frank Roberts, die de honneurs waarnam, vertelt dat Wysjinski er "in zijn uitstekende Frans' aan toevoegde: ""Alstublieft, wilt u ook mijn vroegere functie als officier van justitie gedurende de beroemde Moskouse processen noemen.' In die hoedanigheid heeft de gevreesde jurist historische betekenis gekregen.

Arkadi Waksberg, de Sovjetjournalist en schrijver, die zich in zijn veelgelezen artikelen in de Literaturnaja Gazeta inzet voor de invoering van de rechtsstaat en de opheldering van de zwarte plekken van het Stalin-tijdperk, brengt nog meer aspecten van het levensverhaal van Wysjinski aan het licht. Om te beginnen het mensjevistische verleden van de protagonist, dat in Sovjetpublikaties van 1929 tot 1963 werd doodgezwegen. In 1883 werd hij als telg van een oude Poolse adellijke familie in Odessa geboren, en in 1903 sloot hij zich als rechtenstudent aan bij de gematigde vleugel van de Russische sociaal-democraten. Gedurende de revolutie van 1905-06 profileerde hij zich, met zijn retorische gaven en bezield door strijdlust, als organisator van stakingen en als aanvoerder van een gevechtsgroep die politiespionnen executeerde (!). In Bakoe deelde hij in 1908 vier maanden zijn cel met de bolsjeviek Koba uit Bakoe in Georgië, die in de gevangenis vergeefs probeerde Esperanto en Duits te leren.

In 1917 stond de advocaat Wysjinski aan de kant van Kerenski en de Provisorische Regering tegen de bolsjewieken. Symbolisch bij uitstek voor zijn politiek "foute' standpunt is zijn betrokkenheid bij een haast godslasterlijke daad. Waksberg beschrijft hoe Wysjinski als burgemeester van Jakimanka, een arrondissement van Moskou, gevolg gaf aan een verordening van het ministerie van Justitie en aldaar slechts en kele dagen vóór de Oktoberrevolutie een opsporingsplakkaat liet ophangen: de gezochte moest worden aangehouden en aangeklaagd wegens aanzet tot oproer, zijn naam was Vladimir Iljitsj Uljanov-Lenin. Pas in 1920 - ""nadat de Sovjetmacht zich had gestabiliseerd', zoals in de Historische Encyclopedie van de Sovjetunie (bd. 3, 1963) venijnig wordt opgemerkt - brak Wysjinski met de mensjewieken en werd hij in februari lid van de Communistische Partij. Waksberg gaat ervan uit dat de smet van de zo late ommezwaai in zijn politieke houding voor Wysjinski een traumatische ervaring was, die hem gevoelig maakte voor chantage en die de oorzaak was van zijn bijna slaafse trouw aan de vroegere celgenoot uit Bakoe (namelijk Stalin).

LOYALITEIT

Dankzij zijn vakbekwaamheid, geweldige werkdiscipline en absolute loyaliteit avanceerde Wysjinski zeer snel. Gekwalificeerde en bovendien partijgetrouwe deskundigen waren schaars binnen de Sovjet-bureaucratie, in het bijzonder binnen het justitiële apparaat, waar tot ver in de dertiger jaren zeer slecht opgeleide officieren van justitie en rechters de dienst uitmaakten. Van 1925 tot 1928 was Wysjinski rector magnificus van de universiteit van Moskou, waar hij strafprocesrecht doceerde. Vanaf 1928 trad hij bij de met groot vertoon geënsceneerde showprocessen eerst op als rechter en later als officier van justitie. Deze als processen gecamoufleerde politieke mobilisatiecampagnes propageerden het beeld van een staatsvijand, met behulp waarvan de concrete doelstellingen van de partijtop moesten worden verwezenlijkt. In juni 1935, aan de vooravond van de Grote Terreur, werd Wysjinski benoemd tot officier van justitie van de Sovjet-Unie, de hoogste openbare aanklager binnen het stalinistische systeem. In een taaie competentiestrijd met de commissaris van justitie Krylenko bouwde hij deze functie uit tot de basis van zijn persoonlijke macht.

In de grondwet van 1936 werden de openbare ministeries van de republieken, provincies, regio's enzovoorts gebundeld in één bureaucratisch apparaat, met aan de top de officier van justitie van de Sovjet-Unie, die voortaan niet meer ondergeschikt was aan het commissariaat van justitie. In die functie trad Wysjinski in de drie "processen van de eeuw' tegen de oud-bolsjewieken in de openbaarheid. In zijn passages over de enscenering en het verloop van die processen maakt Waksberg gewag van een aantal interessante details uit de rapporten van een door het Politburo ingestelde commissie van onderzoek die in 1989 werden gepubliceerd. Bijvoorbeeld van Wyschinki's rol bij het vooronderzoek en bij de onder dwang afgelegde bekentenissen. Neutrale waarnemers van het proces schrokken vooral van de grove taal van de officier van justitie, die op de beklaagden een scheldkanonnade afvuurde ("schurftige honden, stinkend addergebroed, misbaksels van vos en zwijn, weerzinwekkende mieren, opgeblazen kikkers'), alsof hij wilde vooruitlopen op de tirades van nazi-aanklager Roland Freisler voor het Volksgerichthof.

Waksbergs oordeel over de beklaagden van het eerste proces in augustus 1936 (""deze mannen hadden geen principes waarvoor ze bereid waren te sterven') is te globaal. Ivan (Waksberg noemt hem bij vergissing Aleksander) N. Smirnov, Sergei V. Mratsjkovksi en Vagarsjak A. Ter-Vaganjan konden niet door marteling, maar alleen door psychische terreur worden gebroken. Van het tweede proces vermeldt Waksberg een interessant detail dat Wyschinki's reputatie als l'incorruptible logenstraft en dat aantoont hoe gevoelig hij was voor de binnen de nomenklatura om zich heen grijpende "auto-harem-factor' (zo aan het eind van de jaren twintig genoemd door de Russische journalist Sosnovki in een zedenschets van de Sovjetbureaucratie): nog voordat het vonnis werd uitgesproken waarin dertien van de zeventien beklaagden ter dood werden veroordeeld, en waarin bovendien de inbeslagname van de bezittingen van alle veroordeelden werd bepaald, had de officier van justitie van de Sovjet-Unie zich de datsja inclusief de grond van de beklaagde Serebrjakov toegeëigend.

BEKRONING

Waksberg komt ook met nieuwe gegevens over Wyschinki's rol gedurende de terreur, tijdens de zuivering binnen het justitiële apparaat en de geheime "processen' tegen Babel, Meyerhold, de vermaarde journalist Kolzov en de hoge partijfunctionarissen Tsjoebar, Postysjev en Kossarev. Wyschinki's juridische loopbaan werd in 1939 bekroond met zijn opneming in de Academie van Wetenschappen. Als directeur van het Instituut voor Rechten van de Academie, uitgever van verschillende juridische tijdschriften en als auteur van het klassieke De theorie van het wettelijk bewijsmateriaal in het Sovjet-recht (1941) werd hij daarnaast de meest invloedrijke theoreticus van de Sovjet-jurisprudentie. In het boek, dat werd onderscheiden met de Stalin-prijs, ontwikkelt hij zijn beroemd geworden maxime: ""De verklaringen van de beklaagden [in politieke processen] krijgen vanzelf het karakter en de betekenis [...] van overtuigende bewijzen.' Daarmee reikt hij als het ware achteraf de theoretische argumentatie aan voor de in de drie grote processen gevelde vonnissen. Waksberg had op dat punt onder de aandacht kunnen brengen dat dezelfde Wyschinki nog in 1935 dit beginsel, overigens in soortgelijke bewoordingen als Bucharin in het derde proces, had verworpen als kenmerkend voor een achterhaalde, repressieve rechtscultuur.

In 1939 begon Wysjinski, die inmiddels ook lid van het Centraal Comité was geworden, zijn eigenlijke politieke carrière, die hem direct dicht bij het centrum van de macht zou brengen. Hij werd plaatsvervanger van de voorzitter van de raad van volkscommissarissen en het jaar daarop plaatsvervangend volkscommissaris voor buitenlandse zaken. In beide functies stond hij rechtstreeks onder Molotov. Als deskundige op het gebied van internationaal recht, als meest beschaafd lid van de kliek rond Stalin, als gewiekste onderhandelaar en als meester in het formuleren stond hij al spoedig in de schijnwerpers van de internationale diplomatie; en dat hoewel hij, zoals Waksberg heeft nagetrokken, vóór 1940 nooit in het buitenland was geweest! Gedurende en na de Tweede Wereldoorlog vervulde hij een groot aantal hachelijke diplomatieke missies. Bij de sovjetisering van Litouwen in 1940 en bij de communistische machtsovername in Roemenië in 1944-46 en in Bulgarije in 1946 was hij Moskou's man ter plaatse. Op internationale conferenties zat hij naast Stalin en Molotov, die hij als minister van Buitenlandse Zaken van 1949 tot 1953 opvolgde. Volgens Waksberg waren de bijdragen van Wysjinski voor de verering van Stalin ongeëvenaard: al in 1935 had hij Stalins naam in een artikel negenenzestig maal (vetgedrukt) opgenomen en ter gelegenheid van Stalins zeventigste verjaardag had hij opzien gebaard door het even originele als potsierlijke idee om lofredes op Dsjugasjvili te schrijven met als onderwerp diens humor.

De dood van de baas in maart 1953 betekende ook de val van de knecht, van wie men zich ontdeed door hem als permanente vertegenwoordiger van de Sovjet-Unie bij de Verenigde Naties "naar New York de eervolle ballingschap in' te sturen, waar hij in 1954 overleed.

Waksbergs boek is de eerste biografie van Wysjinski. Er was in de Sovjet-Unie na het twintigste partijcongres een aantal artikelen over hem verschenen, waarvan Waksberg de bevindingen gedeeltelijk buiten beschouwing laat, maar het onderzoek naar zijn persoon werd net zo weer in de doofpot gestopt als het stalinisme en de gruwelen uit de openbare discussie verdwenen. Aldus deed zich in de era-Breznjev de op het oog paradoxale, maar in wezen logische constellatie voor dat over de (wreedste) beulen en hun slachtoffers op analoge wijze werd gezwegen.

Waksberg heeft zijn biografie gedeeltelijk gebaseerd op archivalia (brieven van en aan Wysjinski, dossiers van de "processen' tegen de "vijanden van het volk') die tot dusver niet toegankelijk waren. Haast niet te excuseren is dat bibliografische verwijzingen geheel ontbreken zodat onduidelijk is waar citaten, bronnen en literatuur vandaan komen. Hij staat zich de vrijheid toe gebruik te maken van monologue intérieur en van fictieve dialogen, net als Volkogonov in zijn Stalin-biografie. Ook dit boek blijkt behept te zijn met de mankementen die vooral in de Sovjet-Unie inherent schijnen aan het genre biografie: complexe historische gebeurtenissen en verbanden worden personifiërend beschreven en de politieke en sociale achter-grond waartegen de protagonist zich beweegt (zoals bij de Moskouse processen), worden onvoldoende belicht. Om maar een voorbeeld te noemen: Waksberg wijdt de val van Bubnov, volkscommissaris voor onderwijs, onder andere aan de "verklikker'-brief van 5 juli 1937 van Kroepskaja, de weduwe van Lenin, aan Stalin. Maar het commissariaat van Bubnov stond al vanaf januari 1937 bloot aan felle kritiek, en een groot aantal van zijn medewerkers was in juli 1937 gearresteerd. De redenen voor zijn val moeten dus elders worden gezocht. Het boek vertoont ook leemtes. Wysjinski's publikaties, vooral in de juridische tijdschriften van de jaren dertig, verdienen de aandacht om meer inzicht te krijgen in zijn rechtstheoretische positie in het conflict met de "rechtsnihilisten' zoals Pasjoekanis en Krylenko. "De zeer ontwikkelde Andrej Wysjinski' (Vassili Grossman) wierp zich aan het begin van de jaren dertig op als woordvoerder van die stroming binnen de Sovjet-rechtsleer die pleitte voor een strakkere binding van de justitiële organen en van de hele bureaucratie aan rechtsnormen en daarmee voor een minimum aan rechtszekerheid. Niet omdat men de voordelen van een rechtsstaat had onderkend, maar om vat te krijgen op de chaos en de willekeur van de centrifugale krachten en om een minimum aan maatschappelijke stabiliteit te kunnen waarborgen. Daarbij stond onomstotelijk vast dat in een conflictsituatie de soeverein boven de wet stond, dus legibus absolutus was. Voor Waksberg zou hier een blik over de grens en in recentere Amerikaanse publikaties (Solomon, Huskey) verhelderend zijn geweest; hij kent alleen Robert Conquests The Great Terror.

In de (goed leesbare) vertaling is een veel voorkomende fout te constateren waarvoor de auteur in een interview zelf heeft gewaarschuwd: Wysjinski was niet "Generalstaatsanwalt' (procureur- generaal) of "procurator-general' zoals in de Engelstalige versie van het boek - deze titel bestaat pas sinds 19 maart 1946 - maar alleen officier van justitie van de Sovjet-Unie. De meest hinderlijke vertaal- of zetfout (??): de beroemde toneelregisseur Meyerhold had in 1939 niet de "jood' maar de "Judas' Trotski vervloekt, het meest gangbare epitheton dat de Sovjetpers in de jaren dertig met diens naam combineerde. Ondanks deze kritische kanttekeningen is het boek dat door het Sovjettijdschrift Knischnoe Obozrenie als potentiële bestseller werd gepresenteerd, spannend en, dank zij de nieuwe documenten, gedeeltelijk ook informatief.