Moerasbossen en trilvenen krijgen weer nieuwe kansen

ST. JANSKLOOSTER, 10 AUG. Luchtig geklede ouders met kinderen volgen het grotendeels over vlonders aangelegde natuurpad bij St. Jansklooster, aan de rand van de Wieden in de Kop van Overijssel. Eerst hebben ze dia's gezien in de Foeke, het bezoekerscentrum van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, en nu gaan ze alles in natura bekijken: de veenschuur, een ouderwets houten molentje dat tjasker heet, riethopen en de rijke flora en fauna. Aan de ouders zal het niet liggen, maar de kinderen lijken liever de plas in te duiken of aan een ijsje te likken.

De Wieden vormen een schoolvoorbeeld van wat men onder moeras of moerascomplex verstaat: een 4.500 hectare groot gebied met een hoge vochtigheidsgraad, dat uit vier elementen bestaat: open water (de Belter- en de Beulakerwijde), rietland, moerasbos van els en wilg en hooi- of weiland. Bij elkaar een territorium waar de oprechte natuurminnaar zijn hart aan ophaalt. En dat is te danken aan die grote vereniging in 's-Graveland, die hier in 1934 de eerste percelen kocht. “Als de Wieden niet van Natuurmonumenten waren”, leest men op een paneel in de Foeke, “zouden ze misschien wel zijn drooggemaakt en stonden er boerderijen of zelfs fabrieken en flats.”

Iets noordelijker liggen de Weerribben, ook een overblijfsel van voormalige vervening, 3.000 hectare groot en in beheer bij de staat. Middenin dit nationale park in oprichting vindt men de buurtschap Kalenberg, centrum van rietcultuur en de plek waar J.C. Bloem de laatste jaren van zijn dichterlijk leven doorbracht. Zijn stoffelijke resten rusten op het idyllische kerkhofje van het naburige Paaslo onder een steen met de woorden: “Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.”

Weerribben en Wieden staan hoog genoteerd in een zojuist verschenen rapport van de Natuurbeschermingsraad, adviescollege van de regering, in het bijzonder staatssecretaris Gabor van landbouw, natuurbeheer en visserij. "Over moerassen en trilvenen' luidt de titel van het ruim honderd pagina's tellende geschrift, dat een visie ontvouwt op de ontwikkeling van nieuwe laagveenmoerassen in Nederland. De beste kansen hiervoor liggen volgens de Raad in de Kop van Overijssel, zoals blijkt uit de opgetogen tekst: “In de omgeving van de Wieden en de Weerribben kan een samenhangend moerasgebied worden gecreëerd dat zijn weerga in Nederland en het nabije buitenland niet kent. Alle typen, van weinig beïnvloede moerasbossen tot sterk beheerde trilvenen, zijn hier te realiseren.”

Ook natuurterreinen in het aangrenzende Zuidoost-Friesland - Rottige Meenthe-Oldelamer (950 hectare) en de Lindevallei (450 hectare) - zouden deel moeten uitmaken van dat samenhangende moerasgebied, dat op den duur een oppervlakte van tegen de 20.000 hectare kan beslaan. Als tenminste het instrument van de natuurontwikkeling royaal wordt toegepast.

De term natuurontwikkeling houdt in dat landbouwgronden aan agrarisch gebruik worden onttrokken om na een fase van menselijk ingrijpen weer op eigen - min of meer natuurlijke - benen te leren staan. Dit systeem vormt een van de pijlers onder het Natuurbeleidsplan van de regering, dat wordt gekenmerkt door een ecologische hoofdstructuur: een duurzaam, stabiel netwerk van natuurgebieden of "groene longen', verspreid over Nederland en aan elkaar te verbinden door kleinere natuurterreinen als "stepping stones' voor onder meer vliegend en kruipend gedierte. De Weerribben en de Wieden hebben al de status van "groene long'. Uitbreiding van het areaal zowel in Noordwest-Overijssel als Zuidoost-Friesland moet via de natuurontwikkeling gestalte krijgen, om te beginnen tussen beide laagveenmoerassen, die door een betrekkelijk smalle agrarische corridor van elkaar worden gescheiden.

Het Natuurbeleidsplan, dus de regering, kent aan moerassen een hoge prioriteit toe. De Natuurbeschermingsraad onderschrijft die keus volkomen en meent dat Nederland juist voor de natte ecosystemen of wetlands in internationaal opzicht een speciale verantwoordelijkheid draagt. “Nog altijd”, aldus het rapport, “zijn vele moerassoorten in ons land vertegenwoordigd en treffen we hier soorten aan die we verder honderden kilometers buiten onze grenzen vergeefs zullen zoeken.”

Maar die vaststelling gaat wel gepaard met grote zorgen. Het Nederlandse moerasareaal mag de laatste tien jaar dan niet verder zijn afgenomen, het staat wel onder druk van uiteenlopende menselijke activiteiten, die zich laten vertalen in vervuiling, versnippering, verdroging en verstoring. Wat dat laatste betreft: een moeras als de Wieden is behalve natuur- ook recreatiegebied vol zeil- en motorjachten en er loopt - het kan niet missen - een toeristische route doorheen. Voor al deze knelpunten vraagt de Natuurbeschermingsraad aandacht, waarbij voldoende water van goede kwaliteit en voldoende ruimte de sleutel voor een oplossing moeten bieden.

In zijn advies doet de Raad tevens uitspraken over de kwaliteitscriteria waaraan nieuwe moerassen moeten voldoen. De belangrijkste zijn: ongereptheid, rijkdom aan dier- en plantesoorten en internationale betekenis. De Raad acht het belangrijk dat bij de ontwikkeling van nieuwe moerassen zoveel mogelijk ruimte wordt gegeven aan natuurlijke processen met een geringe menselijke beïnvloeding.

Volgens de Raad liggen de beste kansen dus in de Kop van Overijssel, maar ook andere landsdelen komen in het advies ter sprake, onder meer Waterland (Noord-Holland benoorden het IJ), waar nog belangrijke brakwaterveengebieden liggen. De voortschrijdende verzoeting van het grondwater valt echter niet te negeren en daarom ziet de Raad hier meer perspectief voor de ontwikkeling van nieuwe zoete moerassen.

Een ander voorbeeld is het Utrechtse Vechtplassengebied, waar de Raad kansen ziet voor waardevolle kleinere moerassen, bijvoorbeeld trilvenen. Dat vraagt echter wel een tamelijk intensief beheer. In het Groene Hart van Holland (omgeving Nieuwkoop en Vinkeveen) zouden bestaande moerassen met elkaar in verbinding moeten worden gebracht met ook hier een vrij intensief beheer.

De menselijke hand ter begeleiding van de natuur valt blijkbaar niet te ontberen. Althans niet overal. Of zoals Natuurmonumenten in het bezoekerscentrum bij St. Jansklooster vermeldt: “Als wij verder niets deden, zouden de Wieden de Wieden niet blijven. Het zou één groot moerasbos worden, afgewisseld met grote plassen; prachtig, maar eenvormig en op veel plaatsen ontoegankelijk.”

Foto: De Beulakerwijde in de Kop van Overijssel. (Foto NRC Handelsblad- Freddy Rikken)