Miguel Indurain: een Euro-renner, geen Spanjaard

Miguel Indurain is één meter achtentachtig en zevenenzeventig kilo zwaar. Zeven jaar geleden, aan het begin van zijn loopbaan als profwielrenner, woog hij nog vijfentachtig kilo. Toen was zijn longinhoud ook nog geen acht maar zeven liter en sloeg zijn hart in rust geen achtentwintig maar veertig keer per minuut. Geen kunst, om zo de Tour de France te winnen.

Miguel's overwinning heeft dan ook inderdaad niets te maken met goddelijke inspiratie, maar is het resultaat geweest van een langdurige en nauwgezette voorbereiding, van een aanpak die zowel wetenschappelijk als zakelijk zeer doordacht is geweest. In Spanje heeft men het daar moeilijk mee. Na de verplichte huldigingen in zijn geboortestreek Navarra en de felicitaties van de daartoe geëigende hoogwaardigheidsbekleders, blijft het land zitten met een vriendelijke, eeuwig glimlachende, fietsmachine zonder kraak of smaak. Een ideale schoonzoon, maar geen potentiële legende. Een Euro-renner. Geen Spanjaard.

Al daags nadat Indurain in Parijs zijn laatste gele trui had gekregen, werd de eerste twijfel genoteerd. Het dagblad El Pais drukte een beschouwing af waarin werd vastgesteld dat “Indurain ons Europeser heeft gemaakt". Maar is het land daar wel al aan toe? De commentaarschrijver vreesde van niet. Het was voor de wielerliefhebbers met een beetje nationaal gevoel veel makkelijker om enthousiast te raken over de eerste drie Spaanse winnaars van de Franse ronde. Die voldeden veel beter aan het beeld dat al eeuwen in binnen- en buitenland bestaat over de aard van de bewoners van het Iberisch schiereiland.

Federico Bahamontes was misschien wel de beste klimmer aller tijden, maar wisselde geniale momenten af met een verbluffend gebrek aan koersinzicht waardoor hij alleen in 1959 als eerste van het klassement in Parijs aankwam. In plaats van door te fietsen om zijn tijdwinst uit te bouwen stapte hij weleens af om een ijsje te eten wanneer hij met grote voorsprong op een bergtop aankwam - een mooi gebaar, maar onverstandig.

Luis Ocaña leek in 1971 de eerste en enige die Eddy Merckx ging verslaan, maar kwam dramatisch ten val en kreeg pas twee jaar later, toen er geen tegenstand van betekenis was, een nieuwe kans - het hoogtepunt in een door aanhoudende tegenslag gekenmerkte carrière.

Met Pedro Delgado is het hollen of stilstaan, hij rijdt dromerig aan de staart van het peloton of behaalt in een heroïsch duel de overwinning. Een tussenweg is er niet en dus leven zijn bewonderaars in een permanente staat van nervositeit, wachtend op Pedro's duende - het niet afdwingbare moment waarin alle sterren gunstig staan zodat de inspiratie vonkt, de coureur boven zichzelf wordt uitgetild en zijn werk tot grootse kunst verheven.

In een ander dagblad, El Mundo, werd dan ook vastgesteld dat de jaren negentig voor Spanje eigenlijk pas zijn begonnen op het moment dat Miguel Indurain, "de Robocop onder de wielrenners', tijdens de Tour van 1990 voor het eerst berg-op Delgado passeerde en een etappe won. Indurain vaagt ons collectieve geheugen uit, schrijft een andere columnist in dezelfde krant. Hij rekent af met de herinneringen aan het anarchisme van Bahamontes en de pogingen om op een Fransman te lijken van Ocaña, met onze vernederingen, onze mislukkingen en onze eenzaamheid, met onze mythes van provincialisme en autarkie. Maar de prijs die we daarvoor moeten betalen is hoog, meent een derde auteur: we hebben ons moeten overleveren aan het grootkapitaal en aan de multinationals. Niet toevallig is Indurain in dienst van Banesto, de bank die van alle banken in Spanje het meest een yuppie-imago cultiveert.

Ook het weekblad Cambio 16 prijst Indurain, omdat hij zijn zege nu eens niet aan de spreekwoordelijke Spaanse Furie te danken heeft maar aan planning en precisie. “Het was niet het ongeordende epos van een dichter, maar de intelligente en bemoedigende overwinning van een harde werker,” zo luidt de analyse. “Een Spanjaard die werkt” is de kop waarmee het bewuste artikel op de voorpagina van het tijdschrift wordt aangekondigd en die woorden vormen een bewust contrast met de aankondiging van een zomer-special die vlak daaronder staat afgedrukt: “Don Quichot: een Spanjaard die droomt”.

Verwonderlijk is het niet, dat over de Tourzege van Miguel Indurain zo nadrukkelijk in termen van nationale identiteit wordt gesproken. Het komt niet alleen doordat hij zelf in een geruchtmakend vraaggesprek met het Franse sportdagblad L'Equipe heeft gezegd dat grenzen voor hem geen bijzondere betekenis hebben en dat hij hartelijk moet lachen om "het traditionale Spanje van stieren en flamenco'. Het komt vooral doordat in Spanje alles altijd in het licht van de verhouding tussen het vaderland en de rest van Europa wordt geplaatst. Geen Europees land, of het moest Duitsland zijn, dat zich al zo lang en zo ijverig bezig houdt met het onderzoek van het eigen karakter en de vraag welke plaats het in de wereld inneemt. Geen land ook, alweer met de reeds genoemde uitzondering, dat daarbij zo'n verwarrende mengeling van trots en onzekerheid laat zien. Soms doet het debat gezocht en lachwekkend aan, maar altijd is het de uiting van een als zeer reëel ervaren probleem.

Sinds Spanje ophield een wereldrijk te zijn, vraagt het zich af hoe het verloren aanzien kan worden heroverd en wat de beste methode daarbij is: herbezinning op het eigene of de import van denkbeelden die elders hun waarde al hebben bewezen. De discussie verloopt in golven; nu eens heeft de ene partij de overhand, dan halen de anderen hun gelijk. Aan het begin van deze eeuw riepen de schrijvers en filosofen van de "generatie van '98' op tot een fysieke en spirituele herontdekking van het vervallen vaderland en hield Miguel de Unamuno de verachting voor de rede en de gepassioneerdheid van Don Quichot niet alleen ten voorbeeld aan zijn landgenoten maar ook aan de rest van Europa, dat best wat hispanisering zou kunnen gebruiken. Ortega y Gasset drong echter niet veel later juist aan op een injectie met Germaanse degelijkheid en systematiek. De Republiek was internationaal, maar generaal Franco hees weer de vlag van de traditionele Spaanse waarden en betoogde dat een zo unieke cultuur als de Spaanse ook een unieke regeringsvorm nodig had, al moest hij in de jaren zestig behoorlijk wat ruimte vrijmaken voor de technologie en het toerisme, die welvaart brachten. De socialisten die sinds 1982 het land besturen hebben al hun kaarten op de aansluiting bij Europa gezet. Wanneer Spanje niet leert leven en werken zoals men het aan de andere kant van de Pyreneeën doet, is het gedoemd eeuwig achterlijk te blijven - dat is de boodschap van premier Gonzalez en alle andere bewonderaars van Miguel Indurain.

Maar de twijfel knaagt.

Misschien komt het door de nabijheid van het mythische jaar '92. Of anders doordat het elan van Gonzalez en de zijnen niet meer zo gloeit als tien jaar geleden. Zeker is in ieder geval, dat in Spanje de laatste tijd steeds meer stemmen opgaan die waarschuwen dat de vooruitgangsroes van het afgelopen decennium ook zijn nadelen met zich mee heeft gebracht. Is er in ruil voor de gestegen welvaart niet teveel prijsgegeven van wat Spanje uniek maakte? De cultuur, het landschap, bepaalde gewoonten die het leven weliswaar niet efficiënter maar wel aangenamer maakten - zijn ze niet wat al te voortvarend vervangen door de video, de auto, de fabriek en de stress? Is Spanje trouwens nog wel van de Spanjaarden, of heeft het land zich al geheel aan de buitenlandse investeerders verkocht?

In de jongste aflevering van de Revista de Occidente, het eerbiedwaardige tijdschrift dat in 1923 door José Ortega y Gasset werd opgericht om verbreiding aan zijn gedachten te geven, heeft een reeks prominente schrijvers en denkers gehoor gegeven aan het verzoek van de redactie om op te schrijven hoe Spanje er aan het begin van de jaren negentig voorstaat op het gebied van de kunsten, de politiek, de economie, de wetenschap en het alledaags bestaan. Veel van die auteurs komen in hun bijdrage tot een conclusie die in het inleidende essay van de hoogleraar in de politieke wetenschappen Ignacio Sotelo als volgt wordt geformuleerd: onze buren hoeven zich er geen zorgen over te maken of ze wel bij Europa horen, daarvan zijn ze zo grondig overtuigd dat ze zich zonder bezwaar met zichzelf kunnen bezighouden. Spanje dreigt echter in zijn krampachtige pogingen om erbij te horen zichzelf afhankelijk te maken van het oordeel en de waardering van het buitenland en daarmee zijn culturele zwaartepunt buiten de landsgrenzen te leggen. Niet alleen is die cultuur daarmee ten dode opgeschreven, niemand is er ons bovendien dankbaar voor. Als Spanje enig aanzien geniet en momenteel zelfs "in de mode is', dan is het om zijn eigenheid.

Vanhier lijkt het nog maar een kleine stap naar Unamuno's kloeke motto “liever een eerste klas Spanjaard, dan een derde klas Europeaan”, maar zover wil de redactie toch niet gaan. De aansluiting van Spanje bij Europa is een feit, niemand vindt dat het EG-lidmaatschap moet worden teruggedraaid. Een bewijs daarvan is, dat men het de moeite waard acht om de rest van de wereld deelgenoot te maken van de eigen twijfel. De 270 pagina's van deze Revista de Occidente worden daartoe in hun geheel vertaald en in oktober tijdens de Frankfurter Buchmesse, waar Spanje "themaland' is, in een eenmalige Duitse editie gepresenteerd.

“Wee het volk dat niet stilhoudt op een kruispunt aleer zijn weg te vervolgen en dat geen probleem maakt van zijn innerlijk leven,” schreef Ortega in 1914 in en die houding lijkt in 1991 nog altijd karakteristieker voor Spanje dan de gestage tred van Indurain.