MEMOIRES

Ik deed mijn best, maar mijn geheugen liet me in de steek. Hoezeer ik me ook inspande, ik herinnerde me niets meer over de nasleep van de Reichstag-brand in 1933.

Ik zag nog wel flarden van beelden - mijn moeder die me het nieuws vertelde dat Van der Lubbe was onthoofd, de grote, zwarte krantekoppen, een groep luid zingende arbeiders beneden op straat -, maar ze weigerden zich aaneen te sluiten. Ik was mijn verhaal kwijt.

Ik werd er wanhopig van. Mijn memoires naderden hun einde, ik had een stapel papier vol geschreven, maar was ik ook dichter tot mezelf gekomen? Eerder het tegendeel. Toen ik aan deze onderneming begon, hoopte ik aan de hand van mijn verleden te ontdekken wie ik was, maar het enige dat zich telkens weer leek op te dringen was mijn eigen onbeduidendheid. Keer op keer kwam de geschiedenis in mijn buurt, heel dichtbij, zo dichtbij dat ik dacht haar te kunnen grijpen, en keer op keer leek ze op het beslissende moment te ontsnappen. Ik moest denken aan een van de gokmachines die je op de kermis en in goedkope badplaatsen ziet: met een elektronisch gestuurd, zwak metalen klauwtje probeer je een duur uitziende prijs uit het zand op de bodem te halen. Het is een spel om gek van te worden: je ziet je prijs liggen, kostbaar, glanzend, begeerlijk, je drukt precies op het juiste moment de knoppen in, maar je grijpt telkens mis. Of erger nog, het klauwtje laat de prijs vallen voor het je heeft bereikt.

Wat is de zin van zo'n leven? In zijn Belijdenissen stelt Augustinus dat indien toekomst en verleden ook werkelijk bestaan, hij wil weten waar ze dan wel zijn. Dat was ook mijn probleem: had ik een verleden? Zo ja, waar was het dan? (Om over mijn toekomst maar te zwijgen.) Ik dacht dat ik het kon zien liggen, ik kon er alleen niet bij komen.

Herinneringen genoeg, dat wel, er waren nog steeds momenten dat ik werd bedolven onder herinneringen. Kon ik ze ook vertrouwen? En wie garandeerde me dat ze me, net zoals in het geval van mijn Berlijnse jaren, niet op een belangrijk moment in de steek zouden laten? Ik had een lijstje gemaakt met episoden uit mijn verleden die het waard leken te worden verteld, en nu ik de plaats- en persoonsnamen weer overlas, merkte ik iets vreemds. Van sommige namen wist ik nog precies welk verhaal erbij hoorde, welke rol ze in mijn leven hadden gespeeld, maar van minstens evenveel andere wist ik niet meer waarom ik ze had opgeschreven.

Wat had ik bijvoorbeeld met Weinreb te maken gehad? Wanneer ik mijn best deed, dacht ik me vaag een ontmoeting met de man te herinneren, tijdens, niet na de oorlog, maar ik wist er niets meer over te vertellen. En toch stond zijn naam op het lijstje dat ik als geheugensteun gebruikte, drie keer onderstreept zelfs, temidden van een rijtje andere namen die ik zelfs helemaal niet meer herkende. De affaire kende ik wel, natuurlijk, maar had ik er zelf iets mee te maken gehad? Wat was mijn rol geweest? Was die heldhaftig of kwalijk? Had ik iets goed te maken of verdiende ik juist eerherstel? Ik wist het eenvoudig niet meer. Die episode leek volledig uitgewist.

Andere herinneringen waren nog wel tastbaar, maar ik kon ze niet meer in hun juiste kontekst plaatsen. Er was het beeld van een warme zomernacht in een stadspark. Het geluid van het verkeer in de verte benadrukte de donkere stilte om mij heen. Ik had een mooi, zacht meisje in mijn armen. Ze legde haar hand tegen mijn wang en zei: laten we het Barend vertellen. Wanneer was dat, en waar? Wie was Barend? En belangrijker, wie was het meisje?

Verdwenen, uitgeveegd.

Mensen zijn altijd trots op wat ze zich herinneren, maar wie zich bedenkt wat er deze afgelopen eeuw alleen al voorgoed verloren is gegaan, wat voor altijd buiten ons bereik zal zijn, eenvoudig omdat er niemand is die het zich voor de geest kan halen, zal een gevoel van paniek niet kunnen onderdrukken. Wat ons per dag niet allemaal voorgoed ontglipt; woorden en gezichtsuitdrukkingen, kleuren, geuren, details, nuances, atmosfeer. We klampen ons vast aan een handvol bekende feiten en maken onszelf wijs het verleden binnen ons bereik te hebben; in werkelijkheid is onze natuurlijke staat er een van chronische, collectieve dementie.

Ik filosofeerde er flink op los, maar het was allemaal nervositeit, niets anders. In mijn achterhoofd wist ik wel dat deze memoires nog niet voltooid waren. Ik was ze begonnen om in mijn herinneringen iets te vinden wat op een persoonlijkheid leek, iemand van wie ik zou kunnen zeggen: dat ben ik. Tot nu toe leek het erop dat ik mezelf steeds meer ontsnapt was. Ik moest doorgaan tot ik mijn doel bereikte.

Ik pijnigde mijn hersenen, zonder resultaat. Ik ging achter mijn bureau zitten en haalde opnieuw de lijst met namen te voorschijn. Sommige namen die ik een uur eerder nog vergeten leek te zijn, kwamen me nu ineens vagelijk bekend voor. Maar er zat geen verhaal aan vast. Mijn ogen zochten de lijst af, nog altijd een beetje angstig, op zoek naar een naam die zoveel associaties met zich meebracht dat het mijn geheugen een schok zou geven.

Ik vond hem helemaal onderaan. Bij mijn eerste lezing was hij me niet opgevallen. Ik moest hem over het hoofd hebben gezien, omdat hij zo vertrouwd was dat hij niet meer echt tot mij doordrong, zoals we schilderijen die te lang bij ons aan de muur hangen niet meer zien. Maar nu zag ik hem en ik schrok. Het was mijn eigen naam.