Media-econoom Kwik Kian Gie over het Indonesische strovuur; Privé-jets, protectie en de noodzaak van perestrojka

"Indonesië kan zijn ambitie om de zoveelste Aziatische tijger te worden alleen waar maken als het zijn produkten met winst kan verkopen op de wereldmarkt. Daarvoor moet het op buitenlandse markten kunnen concurreren. En internationaal concurreren leer je niet in een geprotegeerde en gemonopoliseerde omgeving.' Met die boodschap bestookt de econoom Kwik Kian Gie de Indonesische media, die zich de laatste tijd ook openstellen voor kritiek. Maar met glasnost heeft Indonesië nog geen perestrojka. En het economisch vuur zou wel eens snel kunnen doven.

Voor de kijkers naar RCTI, de commerciële televisiezender van Jakarta, en voor de lezers van de in de hoofdstad verschijnende dag- en weekbladen is hij geen onbekende meer. Hij is het nieuwe type opiniemaker, dat als gevolg van de grotere openheid in de Indonesische media toegang heeft tot het tv-kijkende en krantelezende publiek: de commentator-deskundige. Dit nieuwe personage laat zijn licht schijnen over de beslissingen van politici en grote ondernemers en draagt zo bij aan de openbare meningsvorming in een land waar de publieke opinie lange tijd alleen werd gevoed door regeringscommuniqués en geruchten. Hoewel ook de expert rekening moet houden met politieke taboes ontleent hij aan zijn deskundigheid het gezag om zulke netelige kwesties aan te snijden als machtsmisbruik en corruptie.

De econoom Kwik Kian Gie is in Indonesië zo'n nieuwe mediapersoonlijkheid. In televisieforums, interviews en gastcolumns bindt hij al enige tijd de strijd aan met wat hij beschouwt als de zwakke plekken van Soeharto's economische wonder: groeiende ongelijkheid en ongebreidelde concentratie van economische macht. Hij profiteert daarbij van de zogenaamde keterbukaan (openheid), een nogal ongrijpbaar verschijnsel, dat wel wordt uitgelegd als een Indonesische variant van de glasnost. De "openheid' is niet vastgelegd in nieuwe wetten of regels; het is voorlopig niet meer dan een politieke klimaatsverbetering die onder meer blijkt uit een vrijmoediger pers en een zelfbewuster optreden van de vanouds nogal timide volksvertegenwoordiging.

Kwik: ""Ik ben ervan overtuigd dat er momenteel in Indonesië geen krachtiger pressiegroep bestaat dan de pers. Democratisch ingestelde intellectuelen en parlementariërs moeten zoveel mogelijk samenwerken met en gebruik maken van de pers en daarbij oplossingen aandragen voor bestaande problemen. Tegenwoordig leggen de kranten veel durf aan de dag; zij willen best kritiek plaatsen zolang die niet demagogisch is. Die kritiek mag erg scherp zijn, als er maar geen namen worden genoemd. Zo kunnen we mechanismen blootleggen zonder met een beschuldigende vinger naar personen te wijzen''.

Kwik behoort tot het selecte groepje hoofdstedelijke intellectuelen dat weleens gekscherend wordt aangeduid als de "Rotterdamse mafia', economen die in de jaren vijftig en zestig afstudeerden aan de Nederlandse Economische Hogeschool (NEH), de voorloper van de Erasmus Universiteit. De meesten hebben nog college gelopen bij Nobel-prijswinnaar Jan Tinbergen. Enkele, zoals superminister van economische zaken Radius Prawiro, bezetten - samen met de in de VS opgeleide vakbroeders - posten in Soeharto's kabinet. In tegenstelling tot de zogenaamde "Berkeley-mafia', hebben "Rotterdammers' als Kwik niet alleen belangstelliing voor economische groei, maar vooral voor het verdelingsvraagstuk. Het sleutelwoord in Kwiks uiteenzettingen is "economische democratie'.

Soekarno's denkbeelden

In de jaren tachtig sloot Kwik Kian Gie zich aan bij de Democratische Partij van Indonesië (PDI), een van de drie partijen die mogen meedingen naar regionale en landelijke parlementszetels. De PDI is het produkt is van een gedwongen fusie in de jaren zeventig, maar algemeen wordt hij beschouwd als de erfgenaam van de Partai Nasional Indonesia (PNI), de partij die wijlen president Soekarno in 1927 hielp oprichten.

Hoewel Soekarno's denkbeelden onder oudere PDI-leden nog steeds in ere worden gehouden, neemt Kwik de anti-kapitalistische retoriek van Indonesiës founding father met een flinke korrel zout: ""Ondanks veel weerstand in mijn eigen partij houd ik vol dat de Republiek Indonesië van het begin af aan een liberaal, kapitalistisch systeem heeft gekend. De mate van vrijheid binnen dat systeem varieert van land tot land en is ook bij ons aan verandering onderhevig geweest. In de tijd van Soekarno werd aan de staat en de coöperaties een belangrijke rol toegedacht, maar privébezit was nooit verboden en het is ondernemers ook nooit verboden om groot te worden. Sinds 1945 heeft dit land altijd rijke mensen gekend''.

Kwik: ""Na de machtsovername door Soeharto in 1966 zijn de accenten in de economische politiek verschoven. Hij haalde technocraten van de Universitas Indonesia in het kabinet. Mede onder hun invloed zijn de relaties met de VN, de Wereldbank en het IMF hersteld en kwam er meer vrijheid in het zakenleven. Onder Soeharto's Nieuwe Orde is op economisch terrein veel bereikt. De inflatie, die in 1965 nog 600 procent bedroeg, werd aan banden gelegd, de infrastructuur werd ontwikkeld en de levensomstandigheden van de armen zijn aanzienlijk verbeterd. De andere kant van de medaille was een groeiende ongelijkheid in de Indonesische economie. Terwijl de onderkant van de inkomenspiramide enigszins werd opgetild, schoot de top de hemel in. De laagste inkomens stegen de laatste decennia met 200 procent, maar de inkomens in de moderne sector stegen met liefst 20.000 procent. De nieuwe ondernemersvrijheid ging niet gepaard met enige regelgeving ter bescherming van de vrije concurrentie. Mede als gevolg van begunstiging door de staat van bepaalde groepen zijn hele sectoren van de economie gemonopoliseerd. Dat alles leidde tot een schier onbegrensde concentratie van economische macht''.

Een verontrustend bijverschijnsel van Indonesiës snelle economische groei is de opkomst van de zogenaamde "conglomeraten', superondernemingen die activiteiten ontplooien op de meest uiteenlopende terreinen en die in een aantal bedrijfstakken een monopoliepositie innemen. De meest spectaculaire voorbeelden zijn de Salim Groep, de thuisbasis van Liem Soei Liong, een van 's werelds rijkste mannen en heerser over een wereldomspannend zakelijk imperium, en de Astra Groep, het eigendom van William Soeryadjaya. "Oom Liem' en "Oom Willem' controleren respectievelijk 200 en 80 Indonesische bedrijven.

Kwik: ""Bijna alle produkten waarmee de Indonesiër in het dagelijks leven te maken krijgt - van onroerend goed en films tot braadolie en kruidnagelsigaretten - worden gemaakt of gedistribueerd door een kleine groep van zo'n 150 ondernemers. Zij konden groot worden dankzij begunstiging door de staat in de vorm van orders, concessies en vergunningen, maar ook door het ontbreken van enige regelgeving. Normaal gesproken wordt de inkomensverdeling in een economie gereguleerd door concurrentie - gelijke toetredingskansen gewaarborgd door een wet op de economische mededinging -, fiscaal beleid en sociale zekerheid. In Indonesië zijn deze instrumenten afwezig of ze werken niet. Als verschillende bedrijven besluiten een kartel te vormen, kunnen ze hun gang gaan; er geen enkele wet die dit verbiedt''.

Kwik illustreert zijn betoog met enkele voorbeelden van Indonesische monopolies: ""De produktie van auto's voor de Indonesische markt wordt bijna geheel gecontroleerd door Salim en Astra, die ieder 40 procent voor hun rekening nemen en een breed scala van buitenlandse merken in licentie assembleren. De resterende 20 procent is verdeeld over een aantal ondernemingen die elk slechts één merk assembleren. Voor nieuwkomers is op deze markt geen plaats meer. De distributie van Amerikaanse en Europese films is geheel gemonopoliseerd door een associatie van vijf importeurs, die over een eigen bioscoopketen beschikt. Niet-aangesloten theaters worden gedwongen pakketten van twaalf films tegelijk te huren, waarvan er vier redelijk en acht slecht zijn. Zo wordt de concurrentie uitgeschakeld.

""Een ander voorbeeld is de braadolie industrie. De produktie van palmolie, de voornaamste grondstof, is geheel gemonopoliseerd door Salim en een ander conglomeraat, die alle Indonesische palmolieplantages exploiteren. Langs deze weg dwongen zij oudere braadoliefabrieken te verkopen''.

Kruidnagelboeren

In de jaren tachtig besloot de Indonesische regering buitenlandse investeerders aan te trekken met een reeks dereguleringsmaatregelen die beoogden regelingen te vereenvoudigen en wettelijke belemmeringen weg te nemen. Een aantal branches werd formeel opengesteld voor - ook buitenlandse - nieuwkomers. Kwik Kian Gie is echter niet onder de indruk: ""Ik moet helaas vaststellen dat het zogenaamde dereguleringsbeleid niet zozeer toetreding tot de markt vergemakkelijkt als wel bestaande monopolies versterkt. Onlangs vaardigde het Ministerie van Industrie een pakket maatregelen uit ter deregulering van de braadolie-industrie, een bedrijfstak die 15 jaar lang gesloten is geweest. Krachtens het nieuwe besluit mag iedereen een braadoliefabriek beginnen die voldoet aan de volgende voorwaarden:

1. de kwaliteit van het produkt moet vergelijkbaar zijn met die van de bestaande bedrijven of de producent moet in staat zijn 65 procent van zijn produkt te exporteren, en

2. de producent moet aantonen dat de aanvoer van grondstoffen is gewaarborgd.

Dat betekent dat elke nieuwkomer eerst zelf een palmolieplantage moet beginnen, want de bestaande plantages zijn in handen van de twee groepen die de binnenlandse markt onderling hebben verdeeld. Dit noem ik pseudo-liberalisering''.

Kwik wijst bovendien op een gloednieuw monopolie dat de regering aan het begin van dit jaar zelf heeft opgezet: ""Ik bedoel de oprichting van de BPPC, het Lichaam voor de Inkoop en Distributie van Kruidnagelen. Deze handelsonderneming kreeg het alleenrecht om de binnenlandse kruidnagelproduktie op te kopen en door te verkopen aan de producenten van kruidnagelsigaretten''. De regering rechtvaardigde deze maatregel met het argument dat ze kruidnagelprijs tegen verder kelderen wilde behoeden om aldus de noodlijdende kruidnagelboeren van de ondergang te redden. Directeur van het nieuwe kruidnagelmonopolie is Hutomo Mandala Putra (in de wandeling "Tommy', een zoon van president Soeharto).

Drie privévliegtuigen

Op verzoek van president Soeharto kwam de Indonesische Vereniging van Economen in 1990 tijdens zijn jaarlijkse congres met een definitie van "economische democratie'. De economen concludeerden dat die in de Indonesische context, gezien de bepalingen in de Grondwet van 1945 en de staatsideologie Pancasila, de vorm zou moeten aannemen van een "gecontroleerde markteconomie'. Kwik: ""De economen noemden ook de noodzakelijke controle-instrumenten: een anti-trustwet, een wet op goed ondernemerschap en een wet ter bescherming van kleine ondernemers. Deze verklaring is overhandigd aan de president, maar heeft tot op heden geen gevolg gekregen in het beleid. Het ontbreekt de Indonesische staat nog steeds aan de wettelijke instrumenten om economische democratie te garanderen''.

Kwik erkent volmondig dat de Indonesische regering er de laatste decennia in is geslaagd door verbetering van de voorzieningen op het platteland en stabilisering van de rijstprijs het percentage mensen dat onder het bestaansminimum leeft aanzienlijk terug te dringen. Maar hij vraagt ook aandacht voor de uit de hand lopende inkomensverschillen: alleen al binnen één bedrijf zijn de verschillen gigantisch. ""Er zijn directeuren die 30 miljoen rupiah (30.000 gulden) mee naar huis nemen, terwijl afgestudeerden beginnen met 300.000 rupiah (300 gulden). Dat is een verhouding van 1:100; in Nederland ligt die, geloof ik, 1:12. De industriële minimumlonen bedragen zo'n 60 gulden per maand, maar worden lang niet overal uitbetaald. En dan hebben we het alleen over de werknemers, niet over de eigenaar van het bedrijf. Die verdient miljarden rupiahs per maar. De familie Suryadjaya, eigenaren van de Astra Groep, beschikt over drie privé-straalvliegtuigen. U zou eens moeten rondkijken aan de University of Southern California in Los Angeles. Daar studeren zo'n 600 kinderen van rijke Indonesiërs. Die wonen in enorme villa's en rijden rond in een Mercedes 600, een Lamborghini of een Ferrari''.

Kwik benadert de monopolies niet louter vanuit sociaal, maar vooral vanuit economisch oogpunt. De uit de hand lopende concentratie van economische macht in Indonesië vormt niet alleen een verdelingsprobleem, met alle potentiële sociale spanningen van dien, maar bedreigt ook de economische toekomst van het land, redeneert hij. Indonesië heeft zich de laatste jaren ingespannen om zijn eenzijdige afhankelijkheid van de olie-export te verminderen en zijn exportpakket te verbreden. Daarbij heeft het opmerkelijke successen geboekt. Artikelen als triplex en textiel doen het goed op de wereldmarkt en de inkomsten uit de stoffen- en kledingexport zijn in 1990 verhoogd tot drie miljard dollar, een verdubbeling ten opzichte van het voorgaande jaar.

Kwik: ""Ik vrees dat dit op den duur een schijnsucces zal blijken, omdat het louter steunt op natuurlijke rijkdom, protectie en kartelvormingen en niet op daadwerkelijke concurrentiekracht. Neem bewerkt hout, na olie de prima donna van de Indonesische export. Indonesië is schatrijk aan tropische houtsoorten, dat is een feit, maar we doen aan roofbouw en hebben het marktaandeel van ons bewerkte hout met kunstgrepen vergroot. Aan het begin van de jaren tachtig is besloten om de uitvoer van onbewerkt hout te verbieden. Op dat moment konden onze multiplexfabrieken, ondanks de nabijheid van rijke hulpbronnen, niet concurreren met die van Taiwan, Korea en Japan. Dankzij dat exportverbod voor ruw hout is onze multiplexindustrie inmiddels de grootste ter wereld. De prijzen zijn hoog dankzij kartelvorming door de Indonesische houtproducenten. Dat alles is niet te danken aan concurrentiekracht.

""Iets soortgelijks geldt voor de auto-industrie. Daar is al vijftien jaar een importverbod voor kant-en-klare auto's van kracht, met als gevolg schaarste, torenhoge prijzen voor luxe auto's en superwinsten voor de Indonesische bedrijven die de assemblage-branche monopoliseren. Die winsten zijn niet het gevolg van concurrentiekracht, maar van protectie en monopolievorming''.

Textielindustrie

De textielindustrie ziet er op het eerste gezicht rooskleuriger uit, maar ook deze boom zou weleens een strovuur kunnen blijken, waarschuwt Kwik. De textiel is - ook in Azië - een branche in beweging, op zoek naar gunstige produktievoorwaarden, lage lonen en nieuwe markten. Op dit moment is Indonesië aan de beurt om uit te blinken in deze sector, niet in de laatste plaats wegens zijn bescheiden lonen, geadverteerd als "de laagste van Zuidoost-Azië'. Lage arbeidskosten vormen echter een broze basis voor een bloeiende textiel-branche. Opwaartse druk op de lonen kan op den duur niet uitblijven en in China en Vietnam, vestigingsplaatsen van de toekomst, is de arbeidskracht nog goedkoper. Zeker nu geavanceerde laser-printapparatuur in opmars is, zullen kwaliteit en kapitaal op den duur de doorslag geven.

Kwik: ""Momenteel werken Indonesische textiel- en schoenenproducenten vooral in opdracht van buitenlandse principalen als Arrow en Nike, die zorgen voor grondstoffen, ontwerp en naamsbekendheid. De Indonesiërs volgen nauwgezet de instructies van hun principalen. Daarmee verwerven ze de vaardigheid om een kwaliteitsprodukt te maken, dat wel, maar het is een gigantische stap om dergelijke produkten voor eigen rekening te maken, onder het label "made in Indonesia'. Om dat met succes te doen moet je grote risico's lopen en de durf hebben om met eigen ontwerpen en features te komen - kortom dat vereist slagvaardig ondernemerschap. De cruciale vraag is deze: Als Indonesische zakenlieden steenrijk kunnen worden alleen al door buitenlandse prototypes te kopiëren en andermans instructies op te volgen, wat prikkelt hen dan om dergelijke riskante stappen te zetten, met andere woorden: van louter compradores toekomst gerichte ondernemers te worden? Is het niet veel makkelijker om hun verworven kapitaal in het buitenland te beleggen?''

Politieke moed

Dat alles roept vragen op over Indonesië's toekomstige plaats in een steeds meer geïnternationaliseerde wereldeconomie. Kwik: ""Indonesië kan zijn ambitie om de zoveelste Aziatische tijger te worden alleen waar maken als het zijn produkten met winst kan verkopen op de wereldmarkt. Daarvoor moet het op buitenlandse markten kunnen concurreren. En internationaal concurreren leer je niet in een geprotegeerde en gemonopoliseerde omgeving. Hoe kun je op buitenlandse markten concurreren als buitenlandse produkten niet mogen concurreren op jouw eigen markt? Hoe kun je leren elders te concurreren als de concurrentie thuis aan banden is gelegd door kartels en monopolies? Voor Indonesië's toekomstige positie op de werldmarkt is binnenlandse liberalisering dan ook een absolute must''.

Kwik Kian Gie is niet de enige die hier zo over denkt. Individuele ministers en ook kopstukken binnen het machtige Indonesische leger betonen zich in privégesprekken voorstanders van economische liberalisering. Dat betekent echter een inbreuk op de symbiotische relatie tussen politici en ondernemers, die elkaar jaren lang de bal hebben toegespeeld en machtige monopolistische bolwerken hebben opgetrokken. Bressen schieten in deze bolwerken vereist politieke moed. Kwik: ""Het is een lastig dilemma: Wie moet een begin maken met dit liberaliseringsproces als politiek en zakenleven zo verweven zijn geraakt? Wie moet de noodzakelijke druk uitoefenen die de technocraten in staat stelt te handelen? Een onafhankelijke ondernemersklasse bestaat nauwelijks in Indonesië en politieke partijen die buiten de regering staan beschikken over onvoldoende macht. Ik verwacht persoonlijk het meest van een nauwe samenwerking tussen de democratische intelligentsia, parlementariërs uit niet-regeringspartijen en - niet te vergeten - de pers, die steeds vaker zijn stem verheft om de verwevenheid tussen politiek en zakenleven te kritiseren. Een positieve eerste stap zou een ontwerp anti-trustwet zijn. Experts kunnen die opstellen en parlementariërs kunnen hem indienen. En al wordt hij niet geheel aangenomen, de pers kan er een brede maatschappelijke discussie over beginnen''.

In dat geval zal er dankzij een begin van de glasnost een eerste stap worden gezet naar een Indonesische perestrojka.