Leiders in last; Liberia na de burgeroorlog

Liberia leeft, driekwart jaar na de burgeroorlog, in een troebele wapenstilstand. De partijen die elkaar tot voorkort afslachtten, moeten nu naast elkaar leven onder de heerschappij van een roofzuchtig interventieleger. Maar de jonge rebellen slepen al te graag met machinegeweren en de leiders van de opstand, Charles Taylor en Prince Johnson, hebben zich nog lang niet neergelegd bij het regime van interim-president Sawyer. En dus is Rambo nog altijd het grote voorbeeld en is het maar beter om sommige wegversperringen te mijden. De Liberianen vragen zich vertwijfeld af hoe een vrede zonder wapens bereikt moet worden.

De video van de bloedige moord op president Samuel Doe - inclusief het afsnijden van oren, ballen en vingers - wordt een klein jaar na dato nog steeds vertoond in Liberia. De opnamen zijn hier en daar zelfs in de bioscoop te zien, temidden van Rambo III en andere populaire vechtfims. Maar van de burgeroorlog en de zwaar bewapende vrede die daarop volgde hebben de Liberianen schoon genoeg.

Liberia, het beloofde land van teruggekeerde Amerikaanse negerslaven, maakt driekwart jaar na de wapenstilstand in een van de meest bloedige burgeroorlogen van West-Afrika nog steeds een zwaar gehavende indruk. De hoofdstad Monrovia draagt sporen van zware strijd. Op het vliegveld ligt een verongelukte kist naast de landingsbaan. Kapotgeschoten toestellen staan kriskras in gemolesteerde loodsen. ""Toen ik hier in februari voor het eerst na de oorlog weer terugkwam, lagen de lijken nog op de startbaan'', vertelt een Nederlandse ontwikkelingswerker die het land regelmatig aandoet.

De meeste palmbomen zijn omgehakt, in de oorlog gekapt door hongerige Liberianen. De gebouwen aan de weg naar het centrum zitten vol kogelgaten en mortierinslagen, soms zij ze aan flarden geschoten en veelal leeggeroofd. Van enkele woningen is zelfs het complete dak meegenomen. Alles wijst op een zware veldslag. Een enkeling wijt de schade aan "de ongeletterde boerenjongens van Charles Taylor' die tijdens hun opmars in Monrovia bij elk gebouw dat ze tegenkwamen dachten dat dàt wel het paleis van president Doe zou zijn en er daarom flink de beuk in gooiden.

Het John F. Kennedy ziekenhuis, voor de oorlog een modern hospitaal, staat er nu verlaten bij, beschadigd en geplunderd. Hier is zwaar slag geleverd - naar men zegt op drie fronten tegelijk - door de mannen van Doe, Johnson en Taylor. Zieke patiënten werden zonder pardon van hun bed gelicht en neergeschoten omdat ze tot de verkeerde stam behoorden.

De gruwelverhalen over de oorlog liggen nog voorop de tong. Verhalen over de bloedige stammenstrijd tussen de Krahn en de Gio's en Mano's. Verhalen over de jonge "freedom fighters', door Rambo-films opgezweept en gedrogeerd. Verhalen over kleine jongetjes die tijdens een spelletje kaarten mensen standrechtelijk executeerden om vervolgens weer ongestoord door te spelen. Verhalen ook over voodoo en zwarte magie. Verhalen over uit levende vrouwen losgesneden foetussen die als "medicijnen' werden gebruikt.

Diepe put

De Sint Peterskerk, sinister overblijfsel van een bloedig dieptepunt in de burgeroorlog, staat er nu verlaten bij. Hier vermoordden de soldaten van Doe vorig jaar omstreeks deze tijd binnen enkele uren zo'n zeshonderd vluchtelingen, vooral vrouwen en kinderen van de Gio- en Mano-stam die de gevechten waren ontvlucht en in de kerk een veilig heenkomen dachten te hebben gevonden.

De oude man op de bank voor de ingang van de kerk geeft een rondleiding. Hij moet op de kerk passen. Het bloed is nog steeds niet geheel van de muren verwijderd, vertelt hij. Het tapijt rond het altaar is weggehaald. Een emmer water met bezem staat in de hoek. De man laat de diepe put zien achter de kerk waar de soldaten die nacht tientallen kinderen levend in zouden hebben gegooid. De grond voor de kerk veert zacht als een pas gedolven graf. De meeste lijken zijn ter plekke begraven, weken na de slachtpartij. Achter in de hoek van het heuvelige grasveld liggen een schedel en wat botten.

Het land is letterlijk verscheurd, opgedeeld tussen rivaliserende facties. Charles Taylor, de man die zelf ooit voor de Liberiaanse regering werkte maar anderhalf jaar geleden met steun van Libië de guerrilla-strijd tegen Doe inzette, controleert met zijn ongeorganiseerde leger van "freedom fighters' bijna het gehele land, uitgezonderd de hoofdstad Monrovia en omstreken. Alleen in Grand Gedeh County, de thuisbasis van Doe, schijnt nog steeds te worden gevochten tussen aanhangers van de vroegere president en rebellen van Charles Taylor, tussen Krahn's en Gio's en Mano's.

Monrovia zelf, waar nu naar schatting een half miljoen van de totaal twee en een half miljoen Liberianen wonen, levert een bizar beeld op. Drie verschillende partijen die elkaar kortgeleden nog zwaar bevochten, leven er pal naast elkaar in verschillende kampen. Formeel maakt de interim-regering onder leiding van dr Amos Sawyer er de dienst uit, een zachtaardige wetenschapper met politieke ambities. Maar feitelijk is de macht in handen van de soldaten van Ecomog, het interventieleger van Westafrikaanse staten dat vorig jaar in het heetst van de burgeroorlog ingreep en Taylor uit de hoofdstad verdreef, rebellenleider Prince Johnson temde, de resten van het leger van president Doe in de kazernes terugdrong en een overgangsregering in het zadel hielp.

Ecomog-soldaten bemannen de vele wegversperringen die het interventieleger in Monrovia heeft opgeworpen om de vrede en veiligheid te handhaven. De "vrijheidsstrijders' van Prince Johnson, die zich begin vorig jaar van Taylor afscheidde en met succes een rivaliserend legertje op de been bracht, hebben in Monrovia hun eigen militaire kamp, met eigen wegversperingen, eigen wapens en eigen regels en wetten. Niet ver van het kamp van Johnson houden de vroegere soldaten van Doe kwartier, de Armed Forces of Liberia, nog steeds het officiële leger van het land.

Het openbare leven in Monrovia herstelt zich moeizaam van de strijd. De Libanezen, de bevolkingsgroep die de economie van het land al jaren controleert, keren geleidelijk aan terug. De douane is al weer voldoende op krachten gekomen, dat ze reizigers steekpenningen vraagt om het land binnen te komen. Ook andere overheidsdiensten komen geleidelijk weer van de grond, al vervullen de bijna veertig internationale hulporganisaties in Monrovia nog steeds belangrijke taken die in normale tijden aan de overheid zijn voorbehouden. De drie operationele ziekenhuizen bijvoorbeeld worden door internationale hulpverleners draaiende gehouden. En de bevolking krijgt de porties rijst van het Wereld Voedsel Programma. Het overgrote deel van de winkels is nog buiten bedrijf. Scholen en universiteiten zijn nog niet heropend. De openbare elektriciteitsvoorziening is nog zo goed als uitgeschakeld en fruit en verse groenten zijn een uitzonderlijke luxe.

Grote Afrikaanse broer

Dr. Amos Sawyer klinkt bijna triest als hem gevraagd wordt hoe het is om interim-president van Liberia te zijn. “Ik voel me de verpleger van een ziek man en beschouw het als mijn taak de zieke te genezen.” Wel gelooft Sawyer dat het genezingsproces al een heel eind op weg is. Toen hij een klein jaar geleden voorlopig staatshoofd werd, was de rebellenleider Charles Taylor, die toen al het land bijna volledig onder controle had, weinig coöperatief.

Taylor maakte het interventieleger van Ecowas (Economic Community of West African States) uit voor ""een troep buitenlandse veroveraars'', verklaarde Prince Johnson voor dood en noemde president Babangida van Nigeria (de belangrijkste machtsfactor in West Afrika) "de zwarte Hitler'. Nu, vertelt Sawyer, praat Taylor met alle betrokken partijen in het conflict, is Babangida zijn "grote Afrikaanse broer' en gaat hij akkoord met algemene verkiezingen.

Sawyer oogt als het toonbeeld van eenvoud en weldenkendheid in een land dat wordt beheerst door machtshonger en etnische driften. ""Nee, ik ben geen kandidaat voor het presidentschap. Ik wil zo snel mogelijk weer naar de universiteit.''

De interim-president ontvangt zijn gasten in zijn werkkamer in "Het Ducor', een van de twee grootste hotels in de stad, vlak bij de kust. Hij gaat gekleed in traditionele Afrikaanse dracht. De kamer is klein en kaal, slechts opgesierd door een vlag, twee telefoons en wat paperassen op het bureau. Er hangt geen enkel portret aan de muur, ook niet van de president zelf. ""Wij proberen de president te de-mythologiseren. In plaats van een "onbereikbare vader' moet hij een "gewone broer' zijn.''

Sawyer is het niet alleen om blijvende vrede te doen, maar ook om de invoering van een meer-partijenstelsel, een democratie waarvoor hij al in 1985 de constitutie schreef die toen door Doe opzij werd geschoven, een meerpartijenstelsel die ook in de rest van West Afrika meer en meer ingang vindt.

Kleine opdonders

Het militaire kamp van Prince Johnson contrasteert met het kantoor van de intellectueel Sawyer. De nederzetting wordt bevolkt door veel in uniform gestoken mannen, gewapend met schietklare geweren en met een stoere blik in de ogen; soms niet ouder dan 13 of 14 jaar, kinderen nog, kleine opdonders die onder normale omstandigheden op het schoolplein zou- den rondhangen.

Bij de ingang staan links en rechts metershoge afbeeldingen van Prince Johnson, opgesierd met slogans over vrede en democratie. Het centrum van het kamp ligt bezaaid met buitgemaakte wagens - autowrakken, opzichtig overgeschilderde trucks en tientallen politiewagens, waarschijnlijk buitgemaakt op president Doe toen Jonhsons mannen de president begin september overrompelden en doodmartelden.

Bezoekers worden aan strenge inspectie onderworpen. Een klein meegenomen bandrecordertje wordt vol bewondering nauwgezet ontleed, op zoek naar mogelijke explosieven. ""Ja, die jongens hebben gewoon te veel James Bond boekjes gelezen'', vertelt een buitenlander die Liberia regelmatig bezoekt.

Bij aankomst in de werkkamer van Johnson blijkt een grote groep Liberiaanse journalisten zich te hebben verzameld om een verouderde video camera die in het midden staat opgesteld met de lens in de richting van het bureau. Links van het bureau hangt een groot schilderij van een godvruchtig man in lang gewaad met een lam op zijn schouders. De woordvoerster had het van te voren al verteld: Prince Johnson wil later theologie gaan studeren.

Het is half elf 's ochtends en het bier vloeit rijkelijk in de werkkamer van De Leider. Johnson stormt opgewonden, in korte broek, de kamer binnen, luidruchtig scheldend op Ecomog, en verdwijnt vervolgens de badkamer in.

Als hij een half uur later frisgewassen terugkeert haalt hij fel uit naar de media en zet hij de buitenlandse journalisten zonder pardon de deur uit. Alleen de redacteuren van zijn eigen krant, de Scorpion, mogen blijven zitten. De video-camera gaat aan, voor als Johnson straks zijn eigen televisiestation heeft.

Kort na het bezoek blijkt dat Johnson juist zijn eigen legercommandant en belangrijkste strijdmakker, kolonel Moses Varney, heeft geëxecuteerd, de man die op het grote openluchtschilderij iets buiten het kamp nog gemoedelijk door De Leider wordt omarmd. De Scorpion meldde dat Varney is gedood omdat deze heimelijk zijn rebellen ontwapende en het materieel aan Ecomog overdroeg. ""Verraad van de belangen van het INPFL (Johnsons rebellenleger, red.) staat gelijk aan het graven van je eigen graf'', aldus Johnson in de "Scorpion'. Johnson haalde vorig jaar de voorpagina's toen hij een Liberiaanse medewerker van het Internationale Rode Kruis neerschoot voor het oog van een Amerikaanse fotojournalist.

Plicht

Enkele kilometers verderop houden de oud-soldaten van de vermoorde Samuel Doe kwartier. In Barclay Trainings Camp marcheren ze, strak geüniformeerd, rondjes over het grasveld. Ook de marine loopt in de pas, vijf mannen in het blauw. Voor de ingang van het kamp controleren Ecomog-soldaten wat er in en uit het trainingscentrum gaat. Binnen vertelt ge- neraal Hezekiha Bowen van de Armed Forces of Liberia (AFL) dat zijn mannen tijdens de oorlog gewoon hun werk hebben gedaan.. ""We hebben onze plicht gedaan, we hebben de president, diens familie en de staat beschermd. Alle andere verhalen zijn leugens van de tegenpartij.''

Het AFL is buiten de kazernes niet bijster populair na alle slachtpartijen en martelingen waaraan het leger zich schuldig heeft gemaakt in naam van president en vaderland. De trouw aan hun vermoorde leider is nog taai. Zo werd onlangs een minister uit het kabinet van interim-president Sawyer door AFL-soldaten afgetuigd omdat hij in een voertuig van Doe reed.

De oorlog is formeel dan wel voorbij, de wreedheden zijn niet snel vergeten. De vele wapens die nu in de hoofdstad in omloop zijn, maken snel slachtoffers. Zelfs kleine verkeersongelukken lijken met AK-47's te worden beslecht. De soldaten van Ecomog zijn er om de vrede te bewaren, maar ook over hen circuleren brute verhalen. Het "vredesleger' lijkt zich bovendien zelf schuldig te maken aan roof en plundering. In een verlaten Amerikaanse school die dienst doet als kwartier voor Ecomog, staan de spullen bijna tot aan het plafond opgestapeld: ijskasten, ovens, wasmachines - klaslokalen vol. Soldaten staan achteloos de zaken in te pakken.

Afgaande op de verhalen van ontwikkelingswerkers betreft het hier allemaal gestolen waar. Een Liberiaanse journalist legt echter uit dat er ook veel geheelde spullen tussen zitten - goederen die voor een handje rijst of een kokosnoot zijn overgenomen. Volgens Raymond Chevalier, medewerker van Foster Parents Plan, hebben de Nigeriaanse autoriteiten laatst een schip vol gestolen auto's uit Liberia om onduidelijke redenen teruggestuurd. Zelf was Chevalier er getuige van hoe veertien vrachtwagens vol ""buitgemaakte goederen'' het vliegveld van Monrovia werden opgereden.

Geblindeerde Jaguars

De weg naar Charles Taylor, zo'n tweehonderd kilometer het binnenland in, voert over glooiende heuvels vol palmen en tropische bossen. De route is de eerste paar kilometer vergeven van de wegversperringen bemand door "freedom fighters' - met geweren en zonnebrillen uitgeruste boerenjongens die net doen of ze de meegebrachte toegangspassen kunnen le- zen. Een enkele keer wordt de wegversperring opgesierd door een afbeelding van Rambo. De chauffeur vertelt dat de vechtlustige Amerikaanse filmheld in deze contreien een gevierde held is en dat in het kamp van Johnson zelfs een "echte' Rambo rondloopt - ""eentje die met twee geweren tegelijk schiet'', vertelt de man terwijl hij met een mengeling van afgrijzen en bewondering schiethandelingen vanuit beide heupen simuleert.

Zuster Barbara, een Amerikaans moeke van de missie die al jaren in Liberia werkt, waarschuwt op bepaalde dagen niet 's avonds de wegversperringen te passeren. Bier en drugs hebben de vrijheidsstrijders dan extra onberekenbaar gemaakt.

Gbarnga, zetel van de regering Taylor, blijkt een provinciedorpje te zijn, een gat met enkele morsige eethuisjes langs de smalle hoofdstraat. De "ministeries' zijn bescheiden gehuisvest. Het kleine kantoor van Foster Parents Plan doet dienst als "ministerie van buitenlandse zaken' en het huis van de lokale directeur van FPP is door Taylor's politie ingepikt.

Taylor valt niet te spreken. Hij is onderweg, zo wordt verteld. Een opzichtig grote jeep en twee donkerblauwe geblindeerde Jaguars snellen over een van de hobbelige zandwegen tussen de ministeries door in Gbarnga, gevolgd door enkele wagens vol zwaarbewapende "vrijheidstrijders'. Ook Taylor is onzeker geworden. Hij zou al tientallen rebellencommandanten hebben geëxecuteerd en alleen Burkinese lijfwachten in zijn buurt tolereren.

Burkina Faso was samen met Libië een een belangrijke bondgenoot in de strijd tegen Doe. Gadaffi steunde Taylor om de Amerikanen een hak te zetten, beweert een Liberiaanse zakenman met goede contacten in de hoogste kringen. Decennia lang was Liberia Amerika's belangrijkste bondgenoot in West-Afrika en pompte Washington tientallen miljoenen in het land, ook nog onder president Doe. Van dat geld is nu weinig over. Wat rest is een gebarricadeerde ambassede in Monrovia die veel weg heeft van een bunker in de vuurlinie.

Menig Liberiaan in de hoofdstad betreurt het dat de Amerikanen niet hebben ingegrepen in het Liberiaans conflict. Een legertje van enkele honderden Amerikanen had de oorlog binnen de kortste keren onder controle gehad, zo luidt de redenering. Interim-president Sawyer spreekt zelfs van een ""morele verantwoordelijkheid'' die de Verenigde Staten hebben verzuimd te nemen. Nu is het land verscheurd en is de oorlog naar het buurland overgeslagen. Sinds afgelopen maart bestoken rebellen in het zuiden van Sierra Leone de regering van generaal Momoh. (Taylor zou de opstand in Sierra Leone zijn begonnen uit protest tegen de bijdrage die het buurland levert aan de Westafrikaanse interventiemacht in Liberia.) En ook aan de grens met Guinee zorgen de Liberiaanse rebellen al voor de nodige onrust.

Ontwapening van alle betrokken partijen lijkt een eerste vereiste voor een blijvende vrede in Liberia. Maar de mannen van Taylor willen daar nog niet aan. De minister van informatie in Gbarnga, een grote zware vent met baard, een ex-journalist die er prat op gaat dat hij destijds bijna door Doe was vermoord wegens een kritische publicatie, zegt onverbloemd waar het op staat. ""Voor ons is de oorlog over. We zijn in voor vrede. Maar we zijn niet zwak. We staan tegen elke vorm van agressie van binnen en van buiten Liberia. En we moeten ons daarom voortdurend gereed houden.''

De gewone Liberiaan heeft schoon genoeg van de militante taal van De Leiders. Twee vroegere medewerkers van een internationale hulporganisatie die openlijk durven te klagen over de rebellen, klinken wanhopig. Een van hen zegt dat een groot deel van zijn leven door de oorlog is geruineerd. En een snel uitzicht op vrede lijkt hen onwaarschijnlijk zolang ongeletterde boerenjongens van dertien, veertien jaar jong het nog steeds prachtig vinden om met machinegeweren rond te lopen en in gestolen mercedessen rond te rijden.