Kortsjnoi is natuurlijk een oude vos, een groot vechter en schaker

Morgen beginnen in het Brusselse SAS Royal Hotel de vier kwartfinales van het kandidatentoernooi dat in 1993 een uitdager moet opleveren voor wereldkampioen Kasparov. JAN TIMMAN speelt tegen Viktor Kortsjnoi, de meest ervaren en met zijn zestig jaar veruit oudste deelnemer. Timman is licht favoriet, maar ziet zelf geen enkele reden om de oude vos te onderschatten.

Enkele dagen nadat je in Sarajevo met opmerkelijk gemak van Hubner had gewonnen, bezocht je begin februari de twee kandidatenmatches die op dat moment in Wijk aan Zee een ontknoping naderden. Terwijl je stond te kijken hoe Kortsjnoi met een fraaie schwindel vanuit slechte stelling Sax overrompelde liet je je ontvallen dat Kortsjnoi zo'n gekke tegenstander nog niet zou zijn voor de volgende ronde. Hoe denk je daar nu over?

“Toen het bij de loting in Linares mijn beurt was had ik de keuze tussen Anand en Kortsjnoi. Ik heb me af en toe nog wel eens afgevraagd of ik het juiste lot heb genomen. Dat vraag ik me nog steeds af. Waarschijnlijk heb ik het niet zo slecht getroffen, hoewel je het met Kortsjnoi natuurlijk nooit weet. Ik dacht ook bij mezelf dat het een voordeel is dat Kortsjnoi sinds de loting een half jaar ouder geworden is. Dat geldt natuurlijk ook voor Anand, maar die kan in die periode duidelijk gegroeid zijn, terwijl je dat bij Kortsjnoi niet zozeer kan verwachten. Het is niet zo dat ik hem daarom onderschat. Zeker niet. Het is ook heel verkeerd om dat te doen. Ik herinner me dat Ribli dat deed toen hij in 1983 tegen Smyslov moest spelen. Toen het er om ging waar die match gespeeld zou worden zei Ribli iets van "het kan me niet schelen waar ik die oude man te grazen zal nemen'. Dat pakte toen heel anders uit. Nee, wat dat betreft zie ik Kortsjnoi als de speler die hij altijd geweest is. Een heel groot vechter en een groot schaker.”

Hoewel de resultaten van Kortsjnoi de afgelopen tijd tamelijk wisselvallig waren, wist hij wel een psychologische tik uit te delen door de laatste twee onderlinge partijen te winnen. Met name je nederlaag in 23 zetten in Amsterdam moet pijnlijk geweest zijn. Of was het juist een nuttige waarschuwing?

“Je kunt moeilijk beweren dat zoiets een positieve invloed kan hebben. Je hebt er toch altijd in een bepaald opzicht last van. Waarschuwing, ach. Ik geloof dat die match die ik tegen Seirawan verloor ook wel een goede waarschuwing was voordat ik tegen Hubner speelde, maar als ik die match gewonnen had, was het misschien nog beter geweest. In ieder geval heb ik niet zozeer last van die ene partij tegen Kortsjnoi als wel van het feit dat ik een vrij onevenwichtig toernooi speelde. Het was verstandiger geweest om te proberen een solide toernooi te spelen. Zoals Karpov bij voorbeeld, twee winstpartijen en de rest remise. Maar ja, je kunt niet altijd verstandig zijn. Kortsjnoi zei laatst in een interview dat wij wat dat betreft hetzelfde trekje hebben. Ongeacht of we in vorm zijn of niet, willen we toch optimaal scoren en daardoor blijven ons bepaalde teleurstellingen niet bespaard. Daar zit wel iets in.”

Jullie staan allebei te boek als uiterst correcte spelers met een sterk gevoel voor de schaaketiquette. Toch heeft Kortsjnoi in het verleden wel eens voor een gespannen sfeer gezorgd, zoals in zijn match tegen Hjartarson toen hij volgens de IJslander met driftige wandelpassen ietwat te nadrukkelijk de akoestische mogelijkheden van het podium uitprobeerde. Kun je je dat soort problemen voorstellen in jullie match?

“O ja, dat zou kunnen gebeuren. Hjartarson heeft achteraf ook gezegd dat hij er volledig van overtuigd was dat Kortsjnoi hem uit het evenwicht probeerde te brengen. En Hjartarson is niet iemand die zomaar wat praatjes verzint. Hij zal dat ook zo gevoeld hebben en het is ook heel goed mogelijk dat Kortsjnoi daar, laten we zeggen voor een gedeelte onbewust, op aangestuurd heeft. Kortsjnoi is natuurlijk een oude vos, die nog matches tegen Petrosian heeft gespeeld. Dat was hard tegen hard. Onder tafel schoppen en zo. Als je dat soort ervaringen hebt uit het verleden, verleer je zulke streken niet zo snel. Het is zo dat Kortsjnoi inderdaad houdt van een wat gespannen sfeer tijdens een match en dat is iets wat voor mij niet zo gemakkelijk is, want ik ben daar niet echt aan gewend. Ik heb het wel meegemaakt tegen Salov tijdens de match in Saint John. Die gedroeg zich toen volstrekt belachelijk, maar dat gaf me juist een extra stimulans om die match te winnen. Ik denk niet dat het met Kortsjnoi zo zal gaan. Ik heb trouwens nooit enige persoonlijke moeilijkheden met hem gehad, hoor, maar je weet nooit wat er zich onder spanning kan voordoen.”

Net als in je vorige match zie je opnieuw bewust af van de hulp van een of meerdere secondanten.

“Mijn ervaring is dat ik aan secondanten op de speeldagen in ieder geval niets heb. Het is beter om dan de tijd voor jezelf in te delen. Door wat te ontspannen en je gedachten te laten gaan over wat je gaat spelen. Daar kan ik eigenlijk niemand bij gebruiken. Eventueel zou ik op vrije dagen wel met iemand kunnen kijken naar partijen die ik gespeeld heb, maar om daar nu een secondant voor te vragen lijkt me een beetje overdreven.”

Wel heb je vooraf gebruik gemaakt van de hulp van Jeroen Piket. De afgelopen week hebben jullie samen jouw openingsvoorbereiding grondig doorgenomen, maar tijdens de match zal hij niet als secondant aanwezig zijn.

“Ik vind het heel prettig om met Jeroen Piket samen te werken en ik geloof ook dat het voor hem goed is. Dat hij daardoor ook vorderingen kan maken. Het is voor ons allen daar heel gunstig. Maar voor de functie van secondant heb ik hem niet gevraagd. Dat is misschien iets te veel. Zoiets zou je eventueel kunnen opbouwen. Je zou ook kunnen denken dat als hij later nog sterker wordt en er een moment komt dat ik vind dat ik wel genoeg gespeeld heb, dat ik hem dan eventueel zou kunnen helpen. Dat is natuurlijk een heel aardige basis, waar ik ook vertrouwen in heb. Ik merk ook dat hij gelooft in mijn kracht. Dat is heel belangrijk. En ook dat hij het erg fijn vindt als ik win. Dat klinkt misschien een beetje voor de hand liggend, maar dat is het niet. Er zijn genoeg spelers die, bewust of onbewust, eigenlijk zelf daar hadden willen zitten.”

De toevoeging dat hij ook graag wil dat je wint, doet denken aan de opmerking die je vaker gemaakt hebt dat er in Nederland genoeg mensen zijn die met plezier zien wanneer je op je gezicht gaat. Zit je nu met het dilemma dat enerzijds de organisatie in handen van S.W.I.F.T. ongetwijfeld perfect zal zijn, maar dat anderzijds Brussel wel akelig dichtbij is? Vrees je een hotel vol Nederlanders?

“Nou, die dreiging was er ook voor Kuala Lumpur. Er werd in ieder geval gedreigd met een trip georganiseerd door De Telegraaf, om het hele hotel te bevolken met mensen die dat eens van nabij wilden zien. Gelukkig was er niet genoeg belangstelling. Dat is nooit zo prettig. Ik vond het wel aangenaam in Sarajevo. Daar kwamen niet zoveel mensen op af. Wat dat betreft had ik liever nog wat verder weg gespeeld dan Brussel. Dat neemt niet weg dat de condities om te spelen natuurlijk heel goed zullen zijn. Maar ik heb minder last van dat soort dingen dan vroeger. Ik kan er beter tegen. Ik kan ook beter tegen de dingen die in de pers geschreven worden. Het is algemeen bekend dat vrijwel alles wat er op de sportpagina's verschijnt over Nederlandse topspelers eigenlijk beneden de maat is. Een gebrek aan chauvinisme voert de boventoon. En ik ben daar zeker geen uitzondering op.”

Laat ik dan nu meteen de cruciale sportvraag stellen. Hoe voel je je? Heb je zin om te spelen?

“Dat is moeilijk te zeggen. Ik vind het nog steeds leuk om te spelen, maar ik heb de indruk dat ik het toch minder leuk vind dan vroeger. Matches, daar kan je eigenlijk geen zin in hebben. Ik zie in principe veel vaker uit naar toernooien dan naar matches. Waarschijnlijk is het ook niet goed. Voor mijn match tegen Karpov wilde ik heel graag spelen, maar die match speelde ik heel slecht. Ik wilde meteen al in de eerste partij heel scherp spelen. Dat was eigenlijk roekeloos. Omdat ik gewoon zin had om te spelen. Er zijn ook matches geweest waar ik heel erg tegenop zag. Zoals mijn match tegen Hubner. Daar was ik helemaal niet zo zeker van. Of ik die wel wilde spelen en hoe ik dat moest doen. En die ging heel goed. Voor die match had ik natuurlijk een groot gebrek aan zelfvertrouwen door mijn nederlaag tegen Seirawan. Ik had toen een houding van als ik in elke partij remise kan maken dan is dat al heel mooi. Dat is een goed uitgangspunt. Als je te veel zin hebt om te spelen kan het wel eens mis lopen. Je hebt dan wel zin om te spelen, maar dat is geen garantie dat je tegenslagen kunt verwerken. Het is veel beter als je een beetje berustend bent en je niet laat meeslepen door je enthousiasme. Zo van, deze match is een karwei dat ik moet klaren.”

In het najaar word je veertig. Hoe plaats je deze WK-cyclus binnen je carriere? Is het nu of nooit of zie je het minder dramatisch?

“Nee, zo denk ik nooit, want ik weet uit ervaring dat het een verkeerde manier van denken is om je zo ergens op vast te prikken. Tijdens de vorige cyclus werd me ook vaak gevraagd of dit nu mijn laatste kans was om wereldkampioen te worden. Nou ja, dat weet ik niet. Ik speel gewoon matches. Die probeer ik te winnen en dat is alles. Ik kan daar niet ook nog eens zulke overwegingen aan toevoegen, want het is al moeilijk genoeg om een match te spelen. Gedachten als "ik word nu oud', dat mogen anderen denken. En dat doen ze ook, geloof ik. Maar ik ben precies zo oud als ik me voel, en dat is niet zo oud.”