Kabinet blijft bij standpunt over "ereschulden'

DEN HAAG, 10 AUG. Minister-president Lubbers is zich er “zeer wel van bewust dat in het licht van de afschuwelijke gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog eigenlijk niets genoeg is om tot redelijke compensaties” voor slachtoffers van de Japanse overheersing te komen.

Desondanks acht het kabinet het "geen begaanbare weg' bij Japan aan te dringen op het betalen van ereschulden aan mensen die in Japanse kampen hebben gezeten.

Lubbers schrijft dat in antwoord op Kamervragen naar aanleiding van de gebeurtenissen op 19 juli. De Japanse premier Kaifu betuigde die dag tijdens een bezoek aan Nederland officieel spijt over de wandaden van zijn volk in de Tweede Wereldoorlog. Nadat Kaifu bij het Indisch monument in Den Haag een krans had gelegd, gooiden enkele demonstranten de krans van Kaifu in het water. Lubbers verontschuldigde zich daarvoor bij de Japanners.

“De brief aan mijn Japanse ambtgenoot om tot uitdrukking te brengen dat het bij het wegnemen van de krans ging om de handeling van enkele inidividuen die niet de gevoelens van het Nederlandse volk vertegenwoordigde, was geheel in overeenstemming met de feiten en de waardering daarvan door de betrokken organisaties”, aldus de premier.

Lubbers baseert zich daarbij op een telex van de Stichting Herdenking 15 augustus 1945, de dag waarop Japan capituleerde, waarin de Stichting zich van de "lasterdaad van onverlaten' distantieert. In zijn excuusbrief aan Kaifu heeft Lubbers zich daarom van dezelfde termen bediend. Lubbers wijst er in zijn antwoord op ook op dat de Stichting het gooien van de krans verwierp.

Volgens Lubbers kan de regering volgens het Vredesverdrag van San Francisco uit 1951 geen nieuwe eisen tot schadevergoeding aan Nederlandse oorlogsslachtoffers indienen. “Het begrip voor de op zichzelf goed invoelbare verlangens van de Stichting Ereschulden kan er niet toe leiden dat de regering zich schijnbaar daar achter stelt als zij zelf overtuigd is dat dit voor de regering in de realiteit geen begaanbare weg is.”

Weliswaar heeft premier Kaifu de petitie van de demonstranten niet in ontvangst genomen, volgens Lubbers is dat “officieel en publiek” wel namens de Japanse regering gebeurd. Dat Kaifu bij het Catshuis na afloop van de kranslegging een andere ingang gebruikte dan de ingang waar de demonstranten stonden opgesteld, berust volgens Lubbers op een misverstand.