Irak onder begeleiding terug op oliemarkt, prijs daalt

ROTTERDAM, 10 AUG. Olieprijzen op de internationale termijnmarkten zijn de afgelopen dagen licht gedaald, door de vrij algemene verwachting van de handel dat Irak volgende week het groene licht van de Veiligheidsraad krijgt om op bescheiden schaal weer wat olie te exporteren.

Het gaat om strikt door de Verenigde Naties gecontroleerde export, waarvan de opbrengsten in een speciaal fonds moeten worden gestort, zodat de secretaris-generaal van de VN precies kan controleren waaraan het geld wordt besteed. Slechts voor de aanschaf van dringend noodzakelijke goederen, zoals medicijnen, voedsel en apparatuur zal toestemming worden verleend, terwijl de economische sancties tegen Irak intact blijven.

De regering van Irak verwierp gisteren overigens een enigszins herzien voorstel van de VN, dat het land toestaat gedurende een half jaar voor 1,6 miljard dollar aan olie te verkopen. Volgens premier Hammadi is dit te weinig. Een andere reden voor de weigering vormen de strikte voorwaarden waaronder Irak zijn olieinkomsten mag besteden. Irak beschouwt het toezicht als inmenging in binnenlandse aangelegenheden.

De oliehandel gaat er niettemin vanuit dat Irak uiteindelijk toch akkoord gaat met het VN-voorstel, gezien de hoge financiële nood waarin het economisch geïsoleerde land verkeert.

Verkoop van 1,6 miljard dollar aan ruwe olie gedurende een half jaar komt neer op een half miljoen vaten per dag. Dat is slechts een zevende van de 3,5 miljoen vaten die het land vóór de bezetting van Koeweit, op 2 augustus vorig jaar, dagelijks op de markt bracht. Het merendeel van die olie werd via twee pijpleidingen door Turkije naar de haven van Ceyhan aan de Middellandse Zee getransporteerd. Als de Veiligheidsraad toestemming geeft voor hervatting van de Iraakse export, moet Turkije daar eerst nog zijn medewerking aan verlenen.

Hoewel Turkije zich met haar bufferzone in Noord-Irak en aanvallen op Koerdische guerillastrijders behoorlijk vijandig opstelt, zal de regering in Ankara er wel oren naar hebben om de pijpleidingen weer te openen. Irak moet immers voor het olietransport betalen. Vóór de Golfoorlog verdiende Turkije daar 300 miljoen dollar per jaar aan. De betaling gebeurde door levering van olie. Irak beschikte toen ook nog over transportcapaciteit voor 1,6 miljoen vaten per dag via een pijpleiding die zijn olie dwars door de Saoedische woestijn naar een laadstation voor tankers bij Yanbo aan de Rode Zee bracht. De inlaat van die pijp en de pompstations zijn zwaar beschadigd, maar de Saoediërs voelen er ook niets voor om medewerking te verlenen aan export van Iraakse olie.

Volgens een VN-missie onder leiding van de Pakistaanse prins Saddrudin Aga Khan, de speciale afgezant van VN-secretaris-generaal die Irak vorige maand heeft bezocht, zal eerst nog reparatiewerk in Noord-Irak moeten worden verricht aan een pompstation en de toegang tot de Turkse pijleiding.

Irak kan volgens het rapport momenteel ongeveer 1 miljoen vaten olie per dag exporteren. De totale produktiecapaciteit, die voornamelijk komt van het noordelijke Kirkuk-veld dat tijdens de oorlog nauwelijks werd beschadigd, bedraagt 1,5 nu miljoen vaten. Momenteel worden er alleen voor de binnenlandse consumptie 450.000 vaten per dag geproduceerd. Een aantal raffinaderijen is na de Golfoorlog gerepareerd met nog bruikbare onderdelen van te zwaar beschadigde installaties. Alleen al om die capaciteit te handhaven zal het land echter spoedig nieuwe onderdelen uit het buitenland moeten importeren.