Harde klap voor Nederlands honkbal

NETTUNO, 10 AUG. Terwijl de Italiaanse honkballers nog minutenlang over het veld tollen na het behalen van hun zevende Europese titel zit de Nederlandse ploeg er verslagen bij. Opnieuw een blamerende nederlaag, nu met 9-2, waarbij Robert Niggebrugge zelfs uit het veld werd gestuurd, levert geen titel op voor Nederland en daarmee ook geen plaatsing voor de Olympische Spelen volgend jaar in Barcelona.

Een dreun die de KNBSB ongetwijfeld in grote problemen brengt. De ledengroei blijft uit, de animo voor de sport is tanende en nu dus ook geen aansprekende resultaten, waarmee sponsors zouden kunnen worden aangetrokken. Geld dat de armlastige bond prima had kunnen gebruiken.

De Nederlandse honkbalploeg likt de wonden. Een zwakke voorbereiding op het EK, een warrig selectiebeleid en een Italiaanse ploeg die sterker speelt dan ooit tevoren presenteren de Nederlandse ploeg en daarmee de KNBSB de rekening. Jim Stoeckel, de Amerikaanse coach die een "verliezer' is gebleken, zal ongetwijfeld van het toneel verdwijnen. Zijn falende beleid moet wel consequenties hebben. De Stichting Vrienden van Honkballend Oranje, waarvoor nota bene ex-bondsvoorzitter Peter Laanen is aangetrokken, kan weer een paar jaar in de wachtkamer. Laanen, die destijds het erevoorzitterschap van de KNBSB heeft teruggegeven omdat hij het beleid bij de bond niet zag zitten, zal zo zijn gedachten hebben over deze zoveelste tegenslag.

De KNBSB kan opnieuw beginnen. Giancarlo Mangini, medewerker van de Italiaanse radio- en televisieorganisatie RAI, een man ook die het Nederlandse honkbal al jaren volgt, kan zijn oren niet geloven als hij hoort dat de KNBSB op den duur naar acht hoofdklasseclubs wil, omdat er - en dat is ook zo - niet meer talent is. De Italiaanse bond kent twintig hoofdklasseclubs in twee divisies, die een groot aantal wedstrijden spelen, vooral als je in de play-offs terecht komt. “Dat is een van de redenen waarom Italië zo ver is gekomen. Natuurlijk, ons land is groter dan dat van jullie, maar des te meer topclubs des te meer topspelers”, aldus Mangini.

Aldo Notari, voorzitter van de Italiaanse honkbalbond en van de Europese honkbalfederatie, is het eens met Mangini. “Honkbal moet heel breed gedragen worden”, is zijn credo. Notari heeft heel veel aanzien in Italië omdat hij als opvolger van de bizarre Bruno Beneck als eerste alle Amerikaanse spelers met een Italiaans paspoort uit de nationale selectie heeft verwijderd. “Het stoorde mij in mijn nationale trots dat wij ooit Europees kampioen zijn geweest met spelers die onze taal niet spraken en niet eens wisten wat onze gewoonten waren”, aldus Notari. “Een van mijn eerste taken is toen geweest dat de nek om te draaien om zo een echte nationale Italiaanse ploeg te krijgen.”

Silvano Ambrosioni, coach van de Italiaanse ploeg en nog opgewonden van het ongekende succes dat zijn ploeg doormaakt, is ook de gelukkigste man van Italië. Onder zijn leiding werd Italië tussen 1976 en 1979 al twee keer kampioen van Europa maar wel met Amerikaanse spelers met dubbele paspoorten. Een doorn in zijn oog, waardoor hij van het toneel verdween en pas in 1985 weer terugkwam na de val van Beneck. Italië verloor in dat jaar nog kansloos de strijd om de Europese titel aan Nederland, maar in 1987, in Barcelona, verloor Italië slechts op het nippertje. Dat de Azzurri op de goede weg waren bleek wel in 1989 in Parijs en nu in eigen land, waar de nieuwe koers duidelijk zijn vruchten afwerpt en twee Europese titels heeft opgeleverd. De laatste zelfs met het minimale aantal van drie wedstrijden.

Ambrosioni: “Ik heb er altijd hard voor geknokt en uiteindelijk mijn zin gekregen. Italië moest een eigen honkbalcultuur hebben en dat heeft het gekregen. We hebben genoeg talent in huis en we zijn nu op weg naar een heel eigen gezicht. Sommigen spelen al tien jaar samen. De gemiddelde leeftijd van de selectie ligt dan ook hoger dan die van de Nederlandse ploeg. Maar we willen een basis hebben om op voort te borduren. Daarom zijn er ook negen spelers uit één club, Nettuno, geselecteerd. Over vijf jaar gaat er een andere ploeg naar de Olympische Spelen.”

“Maar wat ik het belangrijkste vind”, vervolgt Ambrosioni, “is dat alle neuzen in Italië nu één kant op wijzen. De bondsleden en het publiek begrijpen nu dat we op de goede weg zijn. Evenals de spelers. Ik zeg eerlijk, we hadden in de ploeg nogal wat solisten. Neem maar zo'n Bianchi of Trinci. Hebben we totaal geen last meer van. Lopen in de pas en zetten zich volledig in voor de nationale ploeg. Omdat ze goed beseffen dat er veel van afhangt dat we naar Olympische Spelen gaan. Ik heb begrepen dat dat bij jullie wel even anders ligt.”