God zegene de greep; Ir. H.A. Ferguson over het falen van het Deltaplan

Bij de Deltawerken, de trots van de Nederlandse waterbouw, zijn grote vergissingen gemaakt. De Waterstaatsingenieurs zullen de laatsten zijn om zich daarover te verbazen, want bij een dergelijke doe-dienst concentreert men zich liever op het ongewisse van een nieuw bouwproject, dan op een analyse van de fouten in het vorige karwei. Ir. Herman Arend Ferguson stond aan de wieg van het Deltaplan: "Het natuurlijke ontwikkelingssysteem in het Deltagebied hebben we nooit helemaal doorgehad. Maar al doende leer je.'

"De stormvloedkering is gesloten, de Deltawerken zijn voltooid, Zeeland is veilig', zei koningin Beatrix triomfantelijk toen in 1986 de pijlerdam in de Oosterschelde werd geopend. De Deltawerken waren al lang voor de voltooiing als grootste prestatie van de Nederlandse waterbouwkundig ingenieurs voorwerp van nationale trots. Maar zullen ze dat blijven?

Bij de Deltawerken zijn grote vergissingen gemaakt. Voor waterstaatsingenieurs is het niet moeilijk daarover te praten. Ze vinden dat het maken van fouten tot de gewone risico's behoort. Ir. Herman Arend Ferguson is één van de "vaders' van de Deltawerken en is daar ook trots op. Maar hij zegt ook: ""Het zou een wonder zijn als we over een halve eeuw nog zeggen: dat Deltaplan is goed gemaakt. Je moet aanvaarden dat het mogelijk is dat men zegt dat we runderen zijn geweest, dat we niet goed snik waren. Waterbouwkunde is ingewikkeld en dit land zit ingewikkeld in elkaar. Als ik zie wat men vroeger deed zeg ik: vergeef het de mensen. Ik heb het idee dat men dat in de volgende eeuw ook over ons zal zeggen.''

De tachtigjarige Ferguson begon als waterstaatsingenieur in 1939 en verliet de dienst in 1976 als hoofd van de Deltadienst van Rijkswaterstaat. Hij werkte aan de studies die het mogelijk maakten dat Rijkswaterstaat snel na de watersnood van 1953 een Deltaplan op tafel kon leggen. Hij is nog altijd actief en binnenkort verschijnt zijn boek over de geschiedenis van de Delta, waarin hij en zijn vakgenoten de laatste tientallen jaren ingrijpende veranderingen met vaak niet voorziene gevolgen hebben aangebracht.

Op dit ogenblik, nog maar kort na de voltooiing van de Deltawerken, kan Ferguson al een reeks missers bij dit project van nationale trots signaleren. ""Net zomin als ingenieur Caland in de negentiende eeuw de problematiek overzag van het opdringende zoute water toen hij de Nieuwe Waterweg wilde graven, wisten wij bij Rijkswaterstaat wat ons allemaal te wachten stond toen wij het Deltaplan maakten'', zegt hij.

De waterstaatsingenieurs hebben dus veel niet overzien?

""Ja, dat wil zeggen, de hele planning was erop gericht om met de ervaring die bij kleinere projecten was opgedaan tot grotere projecten te kunnen komen. Toen het Deltaplan werd gepresenteerd wisten we waarachtig niet hoe we de Oosterschelde en het Brouwershavense Gat zouden moeten afsluiten. We ontwierpen de Haringvlietsluizen om in een ijswinter het ijs van de grote rivieren te kunnen afvoeren. We vonden dat de sluizen niet alleen open moesten om hoog rivierwater naar zee af te voeren. Bij vorst zouden de sluizen open moeten om een getijdebeweging in het Haringvliet mogelijk te maken. We ontwierpen de Haringvlietsluizen zo dat je er zonodig met een ijsbreker onder door kon varen.

""Vervolgens gingen we het ijsprobleem bestuderen. De conclusie was dat het Haringvliet helemaal geen ijs naar zee afvoert. Het ijs volgt andere wegen. Het Haringvliet zelf is een ijsfabriek die we tijdens vorst afgesloten moeten houden. Als we gaan breken worden er voortdurend nieuwe schotsen aangemaakt. Dan wordt alles alleen maar erger.

""Als we dat allemaal tevoren hadden geweten en we hadden niet zo'n haast gehad, dan waren de Haringvlietsluizen waarschijnlijk anders ontworpen. Maar als je je over zoiets druk maakt, dan maak je nooit meer wat.''

Nu onderzoekt Rijkswaterstaat of het mogelijk is die sluizen vaker open te zetten opdat vervuild slib niet meer naar de bodem van het Haringvliet zakt maar doorstroomt naar zee. Als dat gebeurt zal het gevolgen hebben voor de zoetwaterhuishouding, die met het Deltaplan juist beschermd moest worden tegen het binnendringende zoute zeewater.

""De kwestie van zout en zoet water, de hele ecologie, groeit ons eigenlijk boven het hoofd. We weten veel en krijgen toch steeds meer moeilijkheden. Je moet je niet schamen te zeggen dat je iets niet weet. Na de ramp van 1953 konden wij uit veiligheidsoverwegingen de uitvoering van projecten niet uitstellen. Als ik nu, zoals men bij het Haringvliet overweegt, een verandering ga aanbrengen, suggereer ik dat ik nu wel alles weet. De eerste keer gaat het van: God zegene de greep. Je hebt dan het excuus dat je niet alles weet. De tweede keer moet je donders goed uitkijken, veel kritischer zijn. Want als ik het nog niet allemaal overzie, zou ik willen wachten met het maken van wijzigingen. Het lijkt mij belangrijker dat eerst de Rijn, die het met metalen vervuilde slib aanvoert, wordt schoongemaakt.''

Het aanvankelijke plan om van een afgesloten Oosterschelde een zoetwaterbekken te maken had ook nooit uitgevoerd kunnen worden.

""We hadden al vroeg ontdekt dat een afgesloten Oosterschelde als zoetwater spaarbekken niet opging. In de Volkerakdam zijn achteraf gezien nutteloze sluizen gebouwd die bedoeld waren om de afgesloten Oosterschelde met zoet water te voeden.

""Trouwens, binnen de Deltacommissie is indertijd grote strijd geweest over de vraag of een Volkerakdam eigenlijk wel nodig was. Nu moeten we blij zijn dat die dam er is gekomen. Hij heeft een functie waarvoor hij helemaal niet is gebouwd: hij voorkomt nu dat grote verontreiniging de open gebleven Oosterschelde bereikt.''

Zijn de mogelijkheden om met de Deltawerken de verzilting terug te dringen niet zwaar overschat?

""Veel hangt af van toeval en van veranderende omstandigheden. Men begon met de Rijnkanalisatie zonder dat men wist dat Haringvlietsluizen nodig waren om de gevolgen op te vangen. Die sluizen zijn er gelukkig gekomen. Toen de Waterweg werd gegraven was die aantrekkelijk voor de scheepvaart en daarmee voor de tuinbouw die per schip naar Engeland exporteerde. Naarmate dieper water nodig was voor de schepen en in de kassen meer zoet water gebruikt werd, ontstond geleidelijk een verziltingsprobleem voor de tuinders. Met het inzicht van vandaag zou men zich wel even bedacht hebben om die open Waterweg te graven. Het binnendringen van zout water, een probleem dat men in de vorige eeuw niet zo ernstig nam, zou een groot bezwaar zijn. En stel u eens voor dat de ramp van 1953 in 1853 was gebeurd, dan had men toch nooit een Waterweg durven graven? Dan had je sluizen gekregen.''

Hoe kijkt u nu terug op de beslissing van de Kamer in 1976 om de Oosterschelde niet volgens de oorspronkelijke plannen af te sluiten, maar een stormvloedkering te bouwen?

""Ik weet niet of de kwestie goed is opgelost. Ik heb destijds voorgesteld om de Oosterschelde eerst gewoon af te sluiten en daarna uitwateringssluizen te maken. We zouden dan de tijd gehad hebben om te kijken hoe groot die sluizen moesten zijn. Dat was echter onverkoopbaar. Men zou zeggen: die schoften, als ze de Oosterschelde eenmaal dicht hebben maken ze hem nooit meer open. Ik zou nog steeds voor die oplossing kiezen. Maar het voeren van een onbevangen discussie was in die tijd niet mogelijk. Iedereen was in hoge mate geïrriteerd. Dat gold ook voor waterstaatsmensen. We zijn jarenlang in de publiciteit gepakt. Er is voortdurend geïnsinueerd. Wat we ook zeiden, het was fout. Het was bepaald niet leuk om zo behandeld te worden.

""Waterstaatsmensen zijn kwetsbaar. Journalisten gaan gewapend met de vrijheid van meningsuiting een ambtenaar te lijf die die vrijheid niet heeft. U kunt zeggen: de minister kan verdedigen. Dat klinkt heel mooi, maar het werkt in de praktijk zelden of nooit. Meestal heeft de minister wel belangrijker zaken aan zijn hoofd. Als dat beter uitkomt laat hij zijn dienst in de steek.''

De Rijkswaterstaat presenteert zich niet als een dienst van weifelaars. Uzelf heeft enkele jaren geleden geschreven dat men in de natte waterbouw niet geneigd is tot analyse van gemaakte fouten, dat voor tegenslagen gauw de verontschuldiging wordt gevonden van omstandigheden die buiten iemands macht liggen.

""Het ontbreken van nazorg, dat is de instelling van de bouwer. Je gaat iets maken, je bent klaar en kijkt gulzig naar het volgende dat gemaakt kan worden. Je zou eigenlijk moeten terugkijken, maar niet veel ingenieurs hebben daar zin in. Terugkijken, je afvragen wat het eigenlijk is dat je hebt gemaakt, dat interesseert ze geen bal. Ze zijn doeners, ze hebben nieuwe harde, concrete taken. Een werk is interessant zolang er iets aan de knikker is, daarna zegt het niets meer.''

Als waterbouwkundige werken negatieve gevolgen hebben, ziet Rijkswaterstaat die als interessante nieuwe problemen die om een oplossing vragen. Zo blijf je aan de gang. Zou wat minder snel projecten aanpakken en meer kritische analyse achteraf niet logischer zijn?

""Nederland is een groot laboratorium. Het natuurlijke ontwikkelingssysteem in het Deltagebied hebben we nooit helemaal doorgehad. Maar al doende leer je. Ik heb een collega gehad die filosoof was. Hij zei altijd: stel uit tot morgen wat je vandaag niet beslist moet doen. Maar infrastructurele werken kosten van ontwerp tot bouw zo'n vijftien jaar. Met de huidige snelheid van de ontwikkelingen is de kans zeer groot dat als het klaar is de mensen zeggen: met wat we nu weten zouden we het anders hebben gedaan. Dat vraagt een bescheidenheid die je als jong ingenieur niet hebt. Dat was voor een ingenieur het aantrekkelijke na de watersnood: je had het maar te maken, de dijken moesten dicht.

""Ik heb me ook wel afgevraagd of werken uitgesteld zouden moeten worden tot we meer wisten. Maar als je iets gaat maken, kom je ook meer te weten. Als je niet aan het milieu komt, ontdek je ook niet wat er leeft en hoe het reageert op ingrepen.''

Dat betekent dat politici besluiten over waterbouwkundige projecten kunnen nemen zonder dat nog iemand weet wat ze technisch betekenen en wat de gevolgen kunnen zijn.

""Pas als je een plan hebt ga je als waterbouwkundige onderzoeken welke problematiek eraan vast zit. Als we met het Deltaplan hadden gewacht tot we alles wisten, hadden we nog wel een eeuw kunnen wachten. Als niet eerst een besluit genomen is, ontbreekt de drang om te onderzoeken. Je kunt als wetenschapper alleen onderzoeken als je centen hebt. Die centen heb je pas als besloten is dat een project moet worden uitgevoerd.''

Met de eis dat dijken slechts eens in de paar duizend jaar de kans mogen hebben te breken - langs de rivieren werkt men met 1250 jaar, bij Rotterdam met 10.000 jaar - wekt men de indruk van uiterste precisie.

""We stellen ons wat kras op. In Engeland heeft men na de overstromingen van 1953 het peil bij die storm als uitgangspunt voor dijkhoogten genomen. Wij vonden dat niet genoeg, maar vroeger was het peil van de laatste storm ook hier gewoon.

""De Deltacommissie heeft ontwerppeilen tot op vijf centimeter nauwkeurig vastgesteld. Dat is lariekoek. Dat zijn wiskundig berekende peilen van de waterspiegel bij stil water. Maar bij dat fictieve waterpeil behoort een golfoploop tegen de dijk. Daar weten we heel weinig van. Dat is een gokje van soms een meter, soms een halve meter. Bovendien, als je vandaag de golfoploop bij een dijk kunt meten, is dat toch over vijftig jaar weer veranderd tengevolge van de verschuiving van zandbanken. Het is dus allemaal abacadabra.

Die waterpeilen zijn ook politiek. Politici hebben een vast getal nodig, een uitgangspunt. Aanvaardt men dat, dan heeft Rijkswaterstaat een punt om bij alle berekeningen vanuit te gaan.''

Snel na de ramp van 1953 werd besloten om de zeearmen af te sluiten. Hoeveel was daarvoor toen al voorbereid?

""Eind 1952 gaf de minister al opdracht aan Rijkswaterstaat om de mogelijkheid te onderzoeken de zeegaten af te sluiten. Ingenieur Van Veen, directeur van de waterstaat, was daar een voorstander van. Hij was al voor de oorlog begonnen met studies voor dammen tussen de eilanden. Hij had echter niet veel bouwervaring. Bouwen was voor hem een zaak voor de boerenjongens, de mensen met de laarzen aan.

""Wij wisten al lang dat de dijken te laag en de oevers gevaarlijk waren. Ik zat omstreeks 1950 bij de studiedienst die in Zeeland moest kijken hoe veilig de oevers waren. Er waren toen allemaal waterschappen met een stukje dijk. Iedereen keek alleen naar zijn eigen dijk. Het waterstaatsbeheer was versnipperd. Toen kwam de ramp en ik vond het een bevrijding dat met de dammen een bekorting van de dijken kwam en dat die dammen door Rijkswaterstaat alleen beheerd zouden worden. Ik had een gebrek aan vertrouwen in het waterschapsstelsel. Maar dat kon je niet hardop zeggen. De minister zei na de ramp dat gebleken was dat het waterschapswezen een groot goed is. Dat is niet gebleken. Ik kon niet onderschrijven dat de waterschappen de dijken goed hadden onderhouden.''

Waarom waren eigenlijk voor de oorlog bij Rijkswaterstaat plannen ontstaan om de eilanden met dammen aan elkaar te verbinden?

""Het had te maken met het opkomen van het model. Nadat wij op het gebied van modelonderzoek aanvankelijk achterliepen, is dat in de jaren dertig sterk ontwikkeld. De wiskundige Dronkers dook diep in de essentie van de waterbouwkundige problematiek met zijn formules. Het kwam allemaal in het kielzog van de Zuiderzeewerken. Het waterloopkundig laboratorium is ook in de jaren dertig opgericht.

""Later hebben hydraulische modellen het voor een deel moeten afleggen tegen de computers. Maar een computer is een zwarte doos. Je stopt er iets in, er komt een antwoord uit, maar je ziet niet wat er gebeurt. In een hydraulisch model zie je alles gebeuren. Het gevaarlijke van nabootsen langs niet aanschouwelijke weg - in een computer - is dat je van een abstractie terug moet naar de werkelijkheid. Het is belangrijk om contact te houden met de werkelijkheid en niet te verdwijnen in je schema's.

""Je maakt met modellen altijd fouten. Maar door middel van die fouten dring je verder door in de werkelijkheid. Je blijkt altijd factoren niet te hebben voorzien en je moet daarom formules altijd bijstellen. Een goed modelingenieur heeft geen tijd om de werkelijkheid te zien. Er moet een wisselwerking zijn met de mannen op de dijk, maar de moeilijkheid is dat zij intellectueel meestal niet opgewassen zijn tegen de ingenieurs uit Delft. Dat werken met modellen is de belangrijkste ontwikkeling van deze eeuw.''

Wat vindt u achteraf van de mensen die al begin jaren zestig bezorgd waren over de gevolgen van de Deltawerken voor het milieu? De kritiek van het Hydrobiologisch instituut in Yerseke, een instelling van de Akademie van Wetenschappen, was in die tijd niet welkom.

""Yerseke ging ervan uit dat het hele milieu van de zeearmen kapot ging. Ze vonden de geplande meren in het Deltagebied weinig interessant. Ze wilden als de bliksem vastleggen wat er nog was. Dat is iets anders dan je richten op wat er komt. Yerseke wilde niet meedenken en opvangen wat er zou komen. Men had er gewoon de pest in dat de Oosterschelde en het Brouwershavense Gat dicht zou gaan. Later is de samenwerking verbeterd. Wij hebben bij Rijkswaterstaat tenslotte in 1971 de milieudienst opgericht die zich geheel bezig hield met wat er zou komen.''

Maar biologen hebben toch terecht gewaarschuwd? De vervuiling van de Rijn was al in de jaren zestig aan de orde. De vervuilde slibafzetting in Biesbosch en Haringvliet is toch een gevolg van de vertraagde stroomsnelheid van de rivieren, die geremd worden door het afgesloten Haringvliet? Bovendien leidt die vertraagde stroomsnelheid tot veranderingen op de rivierbodem, wat weer gevolgen heeft voor de waterstanden en verlangde hoogtes van rivierdijken. De biologen in Yerseke hadden toch gelijk toen ze waarschuwden dat zoet water in de afgesloten Oosterschelde niet mogelijk was?

"Je kunt niet overal een elitair milieu opzetten. Als je zo'n milieu in de Biesbosch begint, leg je dat vlak naast de zinkput van het Haringvliet. En als je het vuil uit het Haringvliet naar zee laat spoelen, wordt de Waddenzee een zinkput. We hebben de ecologie nog helemaal niet door. Je leert er pas wat over wanneer je er iets aan doet. Ik heb tegen biologen gezegd: jullie willen de status quo handhaven. Maar je ontdekt dfe achtergronden pas wanneer je je in dat milieu begeeft. Je kunt niet zeggen: ik blijf er met mijn handen af. Dan kom je nooit achter iets. Die biologen reageerden: maar jullie komen direct met gewapend beton. Dat is waar. Het is moeilijk om die twee werelden samen te brengen."