Geer van Velde: de mens is verticaal en de maat der dingen

Tentoonstellingen: Geer van Velde, 1898-1977. Association L.A.C. - Lieu d'Art Contemporain, Hameau du Lac, Sigean (Corbières Maritimes), tot 30 september 1991, dag. 15.30-21.30 uur. Geer van Velde, dessins, coll. du cabinet d'art graphique, Centre Pompidou, Parijs, tot 8 september 1991, 12.00-22.00 uur, beh. dinsdags.

Nadat het Parijse Centre Pompidou in 1989 een grote tentoonstelling aan Bram van Velde had gewijd, zijn in Frankrijk nu twee tentoonstellingen te zien met het werk van zijn broer, Geer van Velde. In het Lieu d'Art Contemporain (L.A.C.) in Sigean, tussen Perpignan en Narbonne, is een overzicht van ongeveer tachtig schilderijen en werken op papier ingericht en het Centre Pompidou heeft een tentoonstelling gewijd aan de tekeningen van Geer van Velde.

Het overzicht in Sigean is georganiseerd door de daar wonende Nederlandse schilder Piet Moget, die Geer van Velde tientallen jaren geleden voor het eerst ontmoette. Die eerste ontmoeting tussen de 23-jarige Moget en de meer dan dertig jaar oudere Geer van Velde verliep aanvankelijk nogal stroef, maar op een zeker moment hoorde Moget dat Geer van Velde tegen zijn vrouw zei: “Het schijnt dat hij mijn schilderijen waardeert.” Daarmee was het ijs gebroken. Hoewel er een sfeer van vertrouwen groeide, zette Van Velde Moget toch nog bijna de deur uit, toen hij belangstelling toonde voor een stapeltje schetsen van tekeningen en gouaches die Van Velde te onbetekenend vond om te laten zien. Soms hield de schilder 'schoonmaak'. Dan verdween er een serie gouaches in de open haard.

Nu, bijna vijftien jaar na de dood van Geer van Velde, is vlakbij de plekken waar hij zelf gewerkt heeft een mooi overzicht van zijn schilderijen te zien in tot expositie-zalen verbouwde wijnkelders waarvan de architectuur goed harmonieert met de schilderijen. Midden in de eerste zaal hangt La Méditerranée, een sleutelschilderij, een van de eerste doeken waarin Geer van Velde het transparante licht in de kleuren bereikte, en een van zijn laatste beschrijvende werken, waarin hij de dingen omcirkelt met de arabesken van de lijn, die hij bij Matisse moet hebben gezien. Men herkent een rond tafeltje, de omtrekken van het raam en buiten het blauw van de zee en de lucht. In de kleurstroken wordt een harmonische verhouding gevonden tussen de horizontale en verticale elementen op het doek.

Uit zijn eerste Parijse periode, van 1925 tot 1938, voordat hij naar de Midi verhuisde, dateren een expressionistische figuurstudie die sterk aan werk van Herman Kruyder herinnert, en een stilleven met paletten en penselen. Dat laatste is nog wel expressionistisch geschilderd, maar men herkent er toch al het verticale lijnenspel in, de eerste aanzet naar de weg die Geer van Velde na de oorlog zou volhouden.

Geer van Velde heeft zich in die Parijse periode niet altijd kunnen losmaken van zijn drie jaar oudere broer Bram, in wie hij wat de schilderkunst betreft zijn meerdere erkende. Later, levend in de Midi, kiest hij voor het kubisme dat tegemoet komt aan zijn liefde voor middeleeuwse en classicistische architectuur. We zien evenwichtige kleurvlakken die met veel orde om een middelpunt zijn gecentreerd en waarin het licht een belangrijke rol speelt.

Met die periode van bewustwording van de eigen kracht begint de erkenning. In 1937 heeft hij Samuel Beckett ontmoet met wiens bemiddeling in 1938 een tentoonstelling bij Peggy Guggenheim in Londen wordt gehouden. Een paar jaar later ziet Pierre Bonnard de meer dan dertig jaar jongere, stug werkende Van Velde, die weinig spreekt en de dingen in zich opneemt. Bonnard introduceert zijn werk in 1946 bij zijn galerie Maeght die hem in 1952 een contract zal geven.

Zijn eerste, "volledig autonome' werk, zoals Van Velde het zelf noemde, is een doek uit 1940 met geometrische rechthoeken die sterk in kleur verschillen: rood boven geel, een lichter rood boven een donkerder geel boven een groenblauwe strook die is gescheiden van een groener blauw, enz. Later experimenteerde Van Velde verder door de toonverschillen in één kleur te versterken met complementaire kleuren. Het formaat wordt breder, de kleuren zijn rijker. In 1950 laat Geer van Velde op een tekening, die in het Centre Pompidou is geëxposeerd, zien in welk opzicht de evenwichtige verhoudingen verschillen van die van Mondriaan. Het is een schets van een ouderwetse briefweger die zakt onder zijn gewicht en waarvan de gebogen arm zowel de verticale lijnen als de breedtewerking versterkt.

Het gaat Van Velde niet alleen om de kleurvlakken als bouwstenen; ook de open, bijna lege lichtplekken lijken het tastbare en het spirituele in evenwicht te houden. Net zoals Mondriaan werd hij gedreven door een verlangen naar evenwichtige verhoudingen in een geabstraheerde constructie. Er ontstaan binnen- en buitenruimtes, waarin vormen met elkaar communiceren in lijnen en tonen. Er komen ook zeer eenvoudige, verstilde composities tot stand: abstracte stillevens die doen denken aan die van Morandi, maar minder ruig geschilderd. In een grote, op het plaatsje Port la Nouvelle geïnspireerde compositie, in doorwerkte blauwe, witte en grijze vlakken herkent men het haventerrein met zijn kades, boten, zoutvelden, gereduceerd tot een gecondenseerde werkelijkheid.

Na het midden van de jaren zestig krijgt het licht in Van Velde's werk de overhand. Het komt niet meer uit de dingen naar de oppervlakte, maar valt er bovenop. Volgens Moget zijn het de ruimtevluchten van de spoetniks die een grote indruk op Van Velde hebben nagelaten. Zijn schilderijen tonen meer monumentaliteit, grote vlakken die soms rafelig uitlopen en die de dynamiek versterken. Het ritme is zwevend, stuwend, het drijft de velden in concentrische cirkels voort. De abstractie is compleet.

De laatste schilderijen van de zeventigjarige Van Velde, die in Sigean te zien zijn, doen opnieuw aan architectuur denken en aan het werk van Jan Dibbets die zich eveneens laat inspireren door de structuur van kathedralen, met een centrum van uitwaaierende vlakken en een lijnenspel in het kruisribgewelf.

“Geer van Velde”, zegt de schilder Moget, “zei altijd dat ik er lijnen in moest zetten en verticaal moest werken, want de mens is verticaal en is de maat van de dingen.” Een typerende uitspraak voor een klassiek schilder, die zelf een afgemeten man was, die krachtig kon uitvallen als hij het ergens niet mee eens was, en die nogal laat zijn weg vond in het Franse kubisme. Van de kubisten onderscheidt hij zich door het verschuiven van kleurvlakken te laten culmineren in vibrerende lichtvlekken. De werkelijkheid verliest het materiële en het doek wordt de uitdrukking van een heldere orde. Daarmee onderscheidt Geer van Velde zich ook van de schilders van de Ecole de Paris met hun decoratieve "l'art pour l'art" mentaliteit. “Kunstschilder zijn is mijn religie”, zoals hij het zelf eens formuleerde.