Francofiele balling Bakhtiar miste begrip voor Iraanse massa's; Voor Teheran bleef Bakhtiar een gevaarlijke oproerkraaier die geliquideerd moest worden

ALGIERS, 10 AUG. Shapour Bakhtiar, de leider van een kleine groep pro-Westerse, maar zeer nationalistisch-Iraanse links-liberalen, had sinds de terugkeer van imam Khomeiny naar Iran, 12½ jaar geleden, geen politieke macht. Hij was zelfs geen uitdaging meer voor het theocratische bewind in Teheran.

Hij en zijn welgestelde aanhangers, die vroeger de financiële en culturele bovenlaag vormden van de Iraanse samenleving, waren door de Islamitische Revolutie tot machteloze ballingen gemaakt. Van tijd tot tijd waarschuwden zij Westerse politici en journalisten voor de desastreuze weg die het bewind in Teheran bewandelde. Maar hun stem klonk steeds zwakker en hun mogelijkheden om de politiek van het Westen te beïnvloeden werden steeds geringer. Want de Westerse mogendheden hadden zich erbij neergelegd dat Iran een Islamitische Republiek was geworden; het enige wat hen nog interesseerde, was om de Islamitische Revolutie tot Iran zelf te beperken en - indien mogelijk - daarmee zaken te doen.

Voor het bewind in Teheran echter bleven Bakhtiar en de zijnen gevaarlijke oproerkraaiers die, hoe dan ook, geliquideerd moesten worden. Zij ervoeren Shapour Bakhtiars bijtende spot over hun doen en laten wel degelijk als een bedreiging. Want niemand kom imam Khomeiny en zijn volgelingen zo belachelijk maken als Shapour Bakhtiar, de man die met de islam en zijn geloofsprincipes evenveel gemeen had als een olifant met ballet.

Vandaar dat de islamitische autoriteiten in Teheran in 1980 een moordcommando naar Frankrijk stuurden om Bakhtiar het eeuwige zwijgen op te leggen. Vandaar dat een nieuw moordcommando een paar maanden geleden zijn naaste medewerker Boroumand in Frankrijk vermoordde. Vandaar dat Shapour Bakhtiar nu alsnog werd geëlimineerd.

Toen ik Bakhtiar in oktober 1978 voor het eerst ontmoette in zijn enorme villa in Noord-Teheran, was hij kwaad en zenuwachtig. Hij was één van de leiders van het Nationale Front, een combinatie van groepen en partijtjes die alle met elkaar gemeen hadden, dat zij de politiek van de sjah verfoeiden en dat zij Mossadeq vereerden, de man die in 1951 de Iraanse olie nationaliseerde om Iran politiek en economisch onafhankelijk te maken.

De leiders van het Nationale Front werkten officieel met elkaar samen, maar beconcurreerden elkaar tegelijkertijd intens. Daarom vond Shapour Bakhtiar het op die avond in oktober 1978 zo vervelend dat zijn politieke kameraad Karim Sanjabi door de politie van de sjah gearresteerd was, op het moment dat hij een persconferentie wilde geven. Arrestatie betekende immers in die dagen, toen de heerschappij van de sjah op een langzaam sterfbed lag, dat men naamsbekendheid kreeg en zich kon presenteren als een alternatief voor de macht. Bakhtiar was woedend dat de politie hem had overgeslagen.

De boekenkasten in zijn woning puilden uit. Het was een ongebruikelijke woninginrichting, omdat Iraniërs meer van converseren dan van lezen houden. Nòg opmerkelijker was dat vrijwel alle boeken in het Frans waren. Bakhtiar had in Frankrijk gestudeerd, was verliefd geworden op de Franse cultuur en kon zich even elegant in het Frans als in het Perzisch uitdrukken.

De man, op wie zovele Westerse regeringen hun hoop bouwden als een alternatief leider in Iran, bleek een verdwaalde Fransman in het rijke Noord-Teheran te zijn. Hij praatte Iraans-nationalistisch, maar hij onderkende de Iraanse werkelijkheid in de sloppen van Oost- en Zuid-Teheran niet. Hij had geen idee hoe groot de kloof was tussen hem, agnosticus, en de Iraanse massa's die hij wilde leiden en die in de islam niet alleen hun identiteit zochten, maar ook een politieke en economische bevrijding.

Toen hij een paar maanden later - tot grote woede van de andere leiders van het Nationale Front - tot premier werd benoemd door de sjah, die hij verachtte en haatte, maar wiens aanblijven als constitutioneel monarch hij zag als de beste manier om de chaos in Iran te beteugelen, besefte hij nog steeds niet dat hij geen schijn van kans had tegen imam Khomeiny, die hij spottend “de kardinaal” noemde. Hij zag wèl dat Khomeiny een charismatische figuur was, maar hij kon niet geloven dat miljoenen in naam van de islam bereid zouden blijven zich blindelings naar die oude man te voegen, teneinde het paradijs deelachtig te worden. Keer op keer herhaalde hij dat de miljoenenmassa's die door Teheran trokken om hun imam te prijzen, dat alleen maar deden omdat zij geen werk hadden - het hele land was door stakingen lam gelegd - en omdat de bioscopen dicht waren.

Begin februari 1979 gaf hij op een persconferentie opnieuw die mening weer tegenover een grote groep buitenlandse journalisten. Het werd steeds moeilijker om hem te verstaan omdat buiten op straat vele honderdduizenden schreeuwden dat imam Khomeiny hun leider was en Shapour Bakhtiar een vervloekte knecht van de Amerikanen. Onverstoorbaar lanceerde hij de ene bittere grap na de andere over Khomeiny en over het onzinnige concept van een islamitische republiek. Maar terwijl hij sprak, liepen de journalisten weg. Zij vonden de schreeuwende massa's buiten, die onder leiding van hun mullahs in groepen van honderd voorbij trokken en de dood van Shapour Bakhtiar eisten, veel interessanter.

Een paar dagen later was Bakhtiar verdwenen. Met hulp van zijn opvolger en vriend, de door Khomeiny benoemde premier Mehdi Bazargan, die een jaar later in ongenade viel, vluchtte hij naar Frankrijk. Zijn liquidatie bewijst dat de bewindvoerders in Teheran, die gebrand zijn op Westerse investeringen en know-how, niettemin alles op alles willen zetten om welke Westerse invloed dan ook op de Iraanse samenleving uit te sluiten. Zij gaan er tegelijkertijd - en waarschijnlijk terecht - van uit, dat commerciële belangen voor het Westen zwaarder wegen dan de dood van een paar niet-Westerlingen die, politiek gezien, toch al lang geleden overleden waren.