EEN PLANTENJAGER VERTELT

Himalayan Enchantment. An anthology door Frank Kingdon-Ward 254 blz., geïll., Selinda Publications 1990, f 56,60 ISBN 0 906026 22 9

In de achttiende eeuw drong het tot een steeds groter wordend publiek door dat de aarde was begroeid met een plantenrijkdom die bijzonder groot was. Al lang hadden gezanten of veroverende legers planten naar landen gebracht waar ze van oorsprong niet voorkwamen. Veelal waren dat voedingsgewassen, in mindere mate sierplanten. Toch is het bekend dat, bijvoorbeeld, in het Turkse rijk reeds omstreeks 1200 tulpen werden gekweekt, die uit veel oostelijker gelegen gebieden stamden.

De belangstelling voor deze veelheid van plantesoorten beperkte zich aanvankelijk tot de botanische tuinen van de universiteiten, en via deze weg bereikten zulke planten ook wel de tuinen van de (rijke) geïnteresseerde particulieren. Geleidelijk ontstond een bewustwordingsproces in West-Europa en speciaal in Engeland. Dit leidde er onder andere toe dat, toen James Cook van de Engelse admiraliteit de opdracht kreeg de wereldzeeën te verkennen, Joseph Banks (1743-1820) de mogelijkheid kreeg als botanicus de verkenningstocht mee te maken (dit overigens op eigen kosten). De successen van deze tocht en de grote invloed daarvan in Engeland maakte dat biologen later geregeld een plaats kregen in Britse expedities (zo maakte Darwin een dergelijke tocht mee).

De belangstelling voor "vreemde' planten nam zo toe dat mensen werden aangezocht om op speciale plaatsen naar planten te gaan zoeken, en dan liefst vooral de planten die in West-Europa ofwel in de tuin of in kassen konden worden gekweekt. Soms waren zulke verzamelaars in dienst van een onderneming. De bekende Engelse firma Veitch bijvoorbeeld zond speciale orchideeënverzamelaars uit. Een speciale vorm van financiering van verzamelreizen was het nemen van aandelen in de "buit'. Voordat een reis werd ondernomen, namen in die tijd vooral rijke Engelsen aandelen in zo'n tocht. De keuze van een gebied was gebaseerd op een globale kennis van de te verwachte plantengroei.

BANKSIA

De namen van zulke plantenverzamelaars (planthunters in het Engels) zijn soms terug te vinden in geslachtsnamen van planten ( Banksia naar Banks), soms in soortnamen (wardii naar Kingdon-Ward). Was een gedreven verzamelaar ook nog een begenadigd schrijver, die de ervaringen vaan zijn reizen in boekvorm verspreidde, dan krijgt een naam een grotere bekendheid. Dit was het geval met Kingdon-Ward (1885-1958), die tussen 1910 en 1960 dertien reisverslagboeken schreef (naast twaalf andere boeken).

Kingdon-Ward moet naast een bekwaam plantkundige - zijn vader was plantkundehoogleraar, aanvankelijk in Londen, later in Cambridge - iemand met een zeer brede belangstelling geweest zijn. In zijn reisverhalen besteedt hij onder andere aandacht aan de geografie, de geologie, de antropologie en de ecologie. Zijn boeken zijn allang uitverkocht (en kosten antiquarisch f 80). Uitgever Cadogan Books verwachtte zoveel belangstelling dat hij drie boeken in herduk liet verschijnen. The Land of the Blue Poppy uit 1913 (herdrukt in 1986) is zijn eerste en eigenlijk beste reisbeschrijving. Mystery Rivers of Tibet uit 1923 werd in 1986 herdrukt en Plant Hunting on the Edge of the World uit 1923 verscheen opnieuw in 1985. Maar boeken die zeventig tot tachtig jaar geleden zijn geschreven, zijn nu vaak wat moeizaam om te lezen, hoe interessant de inhoud ook moge zijn.

J. Whitehead nam daarom het initiatief om uit de reisboeken van Kingdon-Ward speciale, zijn inziens, zeer geslaagde, typerende passages te halen, en wel die passages die de mens Kingdon-Ward profileerden. Een dergelijke aanpak houdt veel risico's in, maar Himalayan Enchantment is beslist een succes geworden. Het boek is samengesteld uit fragmenten ter grootte van eenderde tot drie bladzijden uit het origineel. Daardoor is het werk van Kingdon-Ward leesbaarder geworden voor de mens uit de huidige, jachtige maatschappij. De originele zwart-wit foto's zijn in de tekst opgenomen. Ook de stofkaft is in zwart-wit uitgevoerd, wat opvalt tussen de in kleurendruk uitgevoerde stofkaften, maar dit past geheel in Whiteheads bedoeling Kingdon-Ward te laten herleven.

Kingdon-Ward ontmoette al vóór zijn studie militairen die het gebied India-Birma kenden; tijdens zijn studie las hij Schimpers boek Plant Geography. Dit moet hem bewust hebben gemaakt van de enorme plantenrijkdom die voorkwam in de tot die tijd nauwelijks bereisde berggebieden op de grenzen tussen China, Tibet, India en Birma. Een gebied met een rijke variatie aan gesteenten, zowel noord-zuid als oost-west georiënteerde ketens en daarom rijk aan ecologische "niches' (unieke groeiplaatsen). Na zijn studie in Cambridge vertrok hij als leraar naar China, een beroep dat hem niet aantrok, maar dat hem wel dichter bij zijn "Enchanted Area' bracht.

KW 5781

Zijn eerste reis daarheen maakte hij vanuit China, in 1909. In totaal maakte hij eenentwintig grote reizen. Hij verzond ruim vijfentwintigduizend partijtjes zaad (zo was "KW 5781' Primula florindae) naar zijn opdrachtgevers. Hoewel hij probeerde planten te selecteren op hun tuinbouwkundige mogelijkheden, wordt tegenwoordig, zo'n zeventig jaar na het begin van zijnbelangrijke zendingen, maar een heel beperkt aantal van al deze importen min of meer geregeld geteeld.

Kingdon-Ward moet een resoluut, maar vriendelijk man geweest zijn. Op veel van zijn tochten was hij de enige blanke die reisde in gebieden die niet of nauwelijks onderworpen waren aan (blank) gezag. Hij diende de problemen die kunnen ontstaan op zulke tochten, zelf op te lossen. Problemen die bijvoorbeeld ontstonden met dorpshoofden, die moeilijk deden en geen koelies beschikbaar wilden stellen ("Het is nu oogsttijd'). En met onwillige koelies, die niet veel zin hadden om de zeker niet ongevaarlijke paden langs te trekken. In zulke gevallen wist hij toch iedereen naar zijn hand te zetten.

Ondanks zijn besliste optreden had Kingdon-Ward een vriendelijk karakter, wat hem goed van pas kwam bij het verkopen van de "aandelen' in het resultaat van zijn tochten. Hij schijnt een meester geweest te zijn in wat nu "de overlegstrategie' zou worden genoemd.

De bekendste plantesoort die Kingdon-Ward verzamelde, is vermoedelijk de Primula florindae, een Tibetaanse moerasprimula die een vrij groot verspreidingsgebied heeft, wat doet vermoeden dat deze plant weinig specifieke standplaatseisen stelt. Dat bleek ook bij de teelt. Kingdon-Ward vernoemde (in 1925) deze plant naar zijn eerste vrouw, Florinda.

Wellicht is e meer geschreven over "The Blue Poppy', Meconopsis betonicifolia (KW 5784), waarvan hij planten aantrof op niet te hoge groeiplaatsen in de schaduw in Sikkim. Daarvan veronderstelde hij meteen dat de plant mogelijkheden zou bieden voor toepassing in Engelse tuinen. Het is echter niet de "Blue Poppy' in de titel van zijn reisverslag uit 1913. Deze Meconopsis speciosa is wellicht fraaier, maar ze bleek niet te kweken. Overigens geldt hetzelfde, alleen in mindere mate, ook voor Meconopsis betonicifolia. Voor degene die het wel lukt deze plant te kweken, is het een prachtig blauw bloeiende papaver, die het bijzonder goed doen tussen rodondendrons, in wier schaduw de planten gedeeltelijk staan.

De reis naar de Tsangpo-kloof was ook geografisch belangrijk. In de jaren twintig was het onduidelijk of de Tsangpo in Tibet dezelfde rivier was als de Brahmaputra in India. Eerder had F.M. Bailey (auteur van No Passport to Tibet, uit 1957) gefaald dit raadsel op te lossen, maar het lukte Kingdon-Ward, door zo goed en kwaad als dit ging langs de rivier te trekken, het antwoord op deze vraag te vinden. Inderdaad bleek de Brahmaputra de benedenloop van de Tsangpo te zijn, maar de veronderstelde grote watervallen waren er niet. Wel zeer nauwe, nauwelijks of niet begaande kloven met daarin een kolkende rivier met stroomversnellingen.

Kingdon-Ward besteedde bijzonder veel aandacht aan het verzamelen van het zaad. Van andere verzamelaars is bekend, dat ze niet zelf zaad verzamelden, maar dat aan hun Tibetaanse of andere begeleiders overlieten, met alle gevolgen van dien. In de bloeiperiode trok hij de bergen in; als hij een gewenste plant zag, merkte hij deze en beschreef hij de groeiplaats zo goed mogelijk. Aan het eind van de korte zomer ging hij dan terug om het zaad te verzamelen. Dit ging vaak met grote moeilijkheden gepaard omdat op de alpine weiden de eerste sneeuw al gevallen was.

KORT ROKJE

Uit Himalayan Enchantment krijgt men een goede indruk van de persoonlijkheid van Kingdon-Ward, die als enthousiaste jongeling de bergen introk en planten beschreef, maar die ook stilstond bij de al dan niet aantrekkelijke meisjes die hij ontmoette. Koelies behoeven namelijk beslist niet van mannelijke kunne te zijn. Ergens beschrijft Kingdon-Ward Lutzu-meisjes, die hem hebben geholpen met het dragen van de expeditie-uitrusting. ""De Lutzu-vrouwen zijn klein en smal gebouwd en hebben vrolijke, ronde gezichten met regelmatige trekken. Ze dragen jakken van blauw katoen met lange mouwen en een kort rokje van hetzelfde materiaal.'' Maar Kingdon-Ward beschrijft ook hoe hij op latere leeftijd het tempo van zijn tweede, veel jongere vrouw en van de koelies niet meer kan bijhouden en naar de plantengroei kijkt om weer op krachten te komen.

Lyrische beschrijvingen van de vegetatie vormen zeker hoogtepunten uit dit boek. Merkwaardig is dat juist de passages over de nu bekendste Kingdon-Wardplanten niet opgenomen staan. Een verkort stukje om een indruk te geven van de tekst over planten, uit Assam Adventure, 1935): ""The lower half of the meadow itself was a sea of Primula sikkimensis. Mixed with it, but far less numerous, was the grape-juice purple colour variety of Primula alpicola. And for ten miles we waded almost up to our knees through these lush flowery meadows, the damp air heavy with their delicious scent.'' En dan te denken dat wij al tevreden zijn als we enige exemplaren van deze primula's in onze tuin kunnen kweken, iets dat mogelijk is geworden door de activiteiten van Kingdon-Ward.