Der Jugo (2)

Korte inhoud van het voorafgaande: Uw verslaggever reist in 1967 naar Belgrado voor de Europa Cup races voor toerwagens. We hebben zojuist een nieuw wiel gehaald voor het aanhangertje bij een bergbewoner.

Uitgewuifd door de vier bergbewoners, vader, moeder, dochter, vriendin, waarvan er twee met flinke bossen hout voor de deur, een gegeven waarover de dorpssmid die mee terugreed naar het dorp niet uitgesproken raakte, arriveerde ik weer bij de scheefstaande aanhanger, waar de racevriend net handtekeningen uitdeelde aan wat opgeschoten jeugd. Het wiel zat er snel onder en daar gingen we weer, Belgrado-waarts. De reis werd slechts enkele malen onderbroken als de karavaan (Der Jugo, het Joegoslavische teamlid, en de onderdelenwagen hadden zich inmiddels aangesloten) moest stoppen voor het zoeken naar een schildpad (""ik zag een schildpad''. ""Kan niet''. ""Wedden?'') En het uit een zeer hoge boom halen van een vlaggetje (""die hangt hoog zeg''. ""Helemaal niet''. ""Oh nee?'').

In het rennerskwartier, na de gebruikelijke formaliteiten, inschrijving, technische keuring, etc., vroeg een official naar het kentekenbewijs van de Steyr-Puch. Dat hadden we niet, want de auto stond niet op kenteken. Ja, maar u doet mee aan de standaard-toerwagens, dus moet de auto op straat kunnen - en bovendien hebben we een stratencircuit. Gelukkig had ik een fotokopie van de homologatiepapieren bij me, een ingewikkelde stapel die aantoonde dat de auto door de FIA was aangemerkt als toerwagen. Die zijn niet geldig, riep de official. Vanmiddag terugkomen met geldige papieren. Alsof ik even een kentekenbewijs kon gaan halen op de ambassade. Der Jugo verwees me naar een Automobielclub in de stad, waar ik met een auto van de wedstrijdleiding (of de partij, dat is daar hetzelfde) heen mocht. De Mercedes zelf bleek al voldoende om me toegang te verschaffen en resoluut liep ik door tot ik in een groot leeg kantoor kwam, en ja hoor, op het grootste bureau stond zo'n houder voor stempels. Snel maakte ik wat afdrukken, koos paars en rood en drukte af op het homologatiepapier, na op de eerste bladzijde Ambassade der Nederlanden getypt te hebben, plus Fédération Internationale des Sports Automobile, Belgrado, 6 Mai 1967, het woord ZULASSUNG in hoofdletters en mijn handtekening plus de naam van Baron Huschke von Hanstein, Rennleiter van Porsche.

Dit maakte indruk op de officials. Het was eigenlijk precies wat men bedoeld had en ik mocht trainen.

Hoewel we alle drie behoorlijk snel waren, had de Hongaarse Puch een sperdifferentieel, wat toch scheelde in de bochten en ik daarentegen een veel te hete motor. Ik ververste het carter met nieuwe Castrol, goot wat Bardahl bij de benzine en vroeg de fabrieksmonteur om raad. Doorrijden, zei hij, en kort liften op het rechte eind - hiermee bedoelde hij heel even het gaspedaal omhoog op het langste stuk, waar de motor veel toeren maakt - gaat hij kapot dan is dat jammer. Ik dacht er nog even over de dynamoriem kapot te laten gaan tijdens de start maar daar was de race te lang voor: ik zou zonder stroom komen te zitten.

Het was een twee-uursrace, allemaal tegelijk, dus alle klassen door elkaar. Op weg naar de baan had de Hongaar me nog toegeroepen dat mijn achterwiel "waggelde', maar ik kende de truc: het is niet waar, maar je blijft er onwillekeurig aan denken als je de auto de bochten inkwakt en dat kost al gauw een seconde of twee per ronde. Ik reed achteraan in de opwarmronde toen ik merkte dat er hier helemaal geen opwarmronde wàs - het was de start al.

Na een kwartier was ik doorgedrongen tot het midden van het veld, Der Jugo achter me, de Hongaar voor me. Hij en ik waren zelfs sneller dan de 850 Abarth's, zodat we in ieder geval onze klasse zouden winnen, zo niet de volgende klasse erbij. Van wiebelen was niets te merken en ik besloot achter de Hongaar te gaan hangen, hoewel slipstreamen warmer is. Elke keer zag ik op het rechte stuk de olietemperatuur gevaarlijk oplopen en ik besloot door de plassen in de goot te gaan rijden. Inderdaad scheelde dat enorm: de motor koelde zeker een graad of vijf af door het opspattende water, alleen, het publiek dat op de stoep stond kreeg de pest in en meende dat ik het opzettelijk deed. Na een halfuurtje moest ik telkens andere plassen opzoeken om de stemming niet echt te bederven. Op het rechte eind gaf ik trouw de motor een beetje lucht door een fractie te liften, en ook dat hielp iets. Omdat de kleinste auto theoretisch de kortste remweg heeft (minder massa) kon ik een flink aantal groteren uitremmen. Dat ik ná de bocht niet zo snel optrok was natuurlijk lastig voor ze en ook dat zette weer kwaad bloed.

Na anderhalf uur was ik de minst populaire man op het circuit. Er waren nogal wat coureurs met grotere auto's die toch al gehinderd door de nauwe stratenbochten onmogelijk aan hun toeren konden komen en dan ook nog langzamere, maar door de bochten snellere Puchs voor ze, dat was niet vrolijk. Het publiek begon me nu met graspollen te gooien en met stokken te slaan als ik weer in de buurt van een plas kwam. Ik zag veel gebalde vuisten. Ook merkte ik dat de Hongaar die nog steeds voor me reed een klepperend motordeksel had, wat hem zo irriteerde dat hij ermee naar de pits ging, een straat parallel aan de baan, maar dan een blokje verderop. Toen hij de baan weer opkwam trof hij weer dezelfde plek, zo'n 20 meter voor me, alleen was ik nu een ronde vóór. Ik vermoedde dat mijn racevriend, die mijn pits deed en de ronden bijhield, het niet had gezien, van de wedstrijdleiding wist ik het wel zeker, want het aantal uitvallers was door de hitte groot. En af en toe werd er eentje uit een zijstraat door omstanders weer in de race geduwd, iets wat je in internationale races zelden tegenkomt.

Ik probeerde door met mijn lichten te knipperen en een vinger in de lucht te steken te seinen van "ik lig één' maar bij de pits woven ze alleen maar. Na de geblokte vlag stopte ik meteen bij mijn team. ""Ik heb de klasse gewonnen en ook nog de 850 cc-klasse!'' Ik legde uit dat de Hongaar een ronde in de pits had gestaan om zijn voorkap vast te maken, maar omdat hij de monteur daar niet bij nodig had gehad was hij niet bij de teamplaats gestopt en niemand had hem dus daar gezien.

Wel, als je eigen teamleiding het al niet weet, hoe leg je het dan uit aan een Joegoslavische wedstrijdleiding die toch al op de hand van een ander Oostblokland is? Nee dus. De Hongaar won alles.

Waarmee maar weer eens bewezen is dat tellen moeilijker is dan autoracen. Het zullen wel slaven zijn geweest, denk ik achteraf.