De hugenootse graveur en tuinarchitect Daniël Marot in dienst van Willem III; Harmonie en symmetrie, maar thuis een krijsende vrouw

De Franse architect en graveur Daniël Marot kwam naar Nederland na de herroeping van het Edict van Nantes in 1685. Vooral de godsdienstvrijheid en de uitstekende beroepsperspectieven trokken hem aan. In de zomerserie treden dit jaar buitenlandse kunstenaars voor het voetlicht die in Nederland wonen en werken. Dit is de zevende aflevering.

"La grande arche des fugitifs' noemde de Franse filosoof Pierre Bayle ons land in de zeventiende eeuw. Na de herroeping van het Edict van Nantes door Lodewijk XIV in 1685 vluchtten honderdduizenden protestanten weg uit Frankrijk. De hugenoten trokken naar Engeland - met het risico om tijdens de overtocht over het Kanaal door roomsgezinde kapiteins aan Frankrijk uitgeleverd te worden -, naar Duitsland, en vooral naar de noordelijke Nederlanden. De tocht over land was niet zonder gevaren. Patrouilles van de Zonnekoning maakten fel jacht op de vluchtelingen, soms tot ver voorbij de Franse grens. De kans om aangegeven te worden was groot. Daarom trok men bij voorkeur 's nachts van schuilplaats naar schuilplaats, en als dat niet kon overdag, vermomd als katholiek, paternosters biddend met rozenkransen in de handen.

De architect en graveur Daniël Marot (¢41661-1752), zoon van de gerennomeerde graveur Jean Marot, was een van de velen die naar de Republiek vluchtten. Marot werd niet alleen aangelokt door de godsdienstvrijheid hier, maar ook door de uitstekende beroepsperspectieven. Willem III had een paar jaar voor de herroeping van het Edict al vertegenwoordigers naar het Franse hof gestuurd om zich van de nieuwste trends op het gebied van tuinornamentiek, binnenhuisinrichting en architectuur op de hoogte te stellen. Frankrijk was "in' in Holland. De culturele elite sprak Frans. Men ging naar toneelvoorstellingen van Racine en Molière; kleedde zich naar de laatste Franse mode, luisterde naar muziek van Lodewijks hofcomponist Jean-François Lully, en bouwde en richtte zijn huizen in naar Frans voorbeeld.

Er zijn maar weinig perioden in de geschiedenis aan te wijzen waarin vluchtelingen zo gastvrij werden onthaald als aan het eind van de zeventiende eeuw in ons land. De vroedschappen van bijna alle grote steden zagen in dat er economisch profijt te halen viel uit de relatief hoogontwikkelde hugenoten. Deze werden verlokt met vrijstelling van belasting, gratis burgerrechten en andere privileges. De Staten van Groningen en Ommelanden verspreidden zelfs een memorie in Frankrijk, waarin de protestanten in ouderwetse reisfoldertaal werden gewezen op de gunstige ligging van de rivieren, de gezonde lucht, de vruchtbare bodem, het bloeiende culturele en hervormingsgezinde leven, en de lage kosten van het levensonderhoud. De Republiek lag als een braak stuk akkerland te wachten op Franse cultivering. De jonge Marot had op geen beter tijdstip kunnen komen.

Bekend als Marot in zijn hoedanigheid van graveur is met de classicistische grandeur van het Franse hofleven, wordt hij bijna direct na zijn aankomst in Amsterdam in dienst genomen door Willem III. Vooralsnog krijgt Marot kleine opdrachtjes: het maken van een gravure van een bal dat Mary voor Willems verjaardag in 1686 organiseerde, en schilderingen voor het trappenhuis op Slot Zeist. Marots barokke en illusionistische ontwerpen vallen zo goed in de smaak dat hij als "dessinateur' wordt aangesteld. De dessinateur was een nieuw soort kunstenaar, die geïntroduceerd werd aan het hof van de Zonnekoning en verantwoordelijk was voor de monumentaliteit en eenheid van het interieur en tuinen van paleizen. De dessinateur hoefde niet per se zelf bedreven te zijn in verschillende ambachten, maar moest de ontwerpen leveren voor de uitvoerende kunstenaars - meubelmakers, timmermannen, tapijtwevers, hoveniers en smeden.

De belangrijkste opdracht die Marot in zijn beginjaren in de Republiek krijgt, is de verbouwing en verfraaiing van het Oude Loo. Als Willem III na de Glorious Revolution (1688-1689) ook koning van Engeland wordt, moet zijn favoriete jachtslot op de Veluwe worden vergroot om aan de uitdijende schare hovelingen onderdak te kunnen bieden. Met een schuin oog naar Versailles wordt Het Loo herschapen tot een zomerresidentie met allure.

Marot ontwerpt plafondstukken met geboetseerd stucwerk - een noviteit - , een paviljoen, muurbespanningen, trapbeschilderingen en tuinornamenten. Ook werkt hij mee aan de aanleg van de grote, Franse tuin. De centrale lengteas van de oude gronden wordt verlengd en afgesloten met een halfronde colonnade. Langs deze as komen ingenieus krullende "parterres de broderies' te liggen, rechthoekige "tuinsaelen' en waterwerken, alles natuurlijk in perfecte symmetrie en harmonieuze proporties. De brede lanen luistert Marot speels op met vazen, obelisken - een typisch Marot-symbool om onvergankelijkheid aan te geven - en beelden van Griekse goden.

Marots carrière verloopt voorspoedig. Hij krijgt opdrachten uit de hele stadhouderlijke kring. Paleisinterieurs in de omgeving van Utrecht, Amsterdam, Arnhem en Den Haag zijn van zijn hand. In 1694 is hij zo rijk dat hij uit kan kijken naar een vrouw. Zijn keuze valt op Catharina Maria Gole, die net als hij uit hugenootse kringen afkomstig is. Het tweetal trouwt. Ongevoelig voor pril huwelijksgeluk, vertrekt Marot datzelfde jaar nog naar Londen, waar Willem en Mary hof houden. Daar maakt hij een ontwerp voor de tuinen van Hampton Court Palace. Ook in de Nederlanden blijft hij actief, en ontwerpt o.a. de Trêveszaal in het Binnenhof.

Als Willem III in 1702 overlijdt, komt Marots werk stil te liggen. Hij gaat zich toeleggen op interieurs voor patriciërshuizen in Den Haag en Amsterdam, en treedt in dienst van het stadhouderlijk hof in Friesland. In de tamelijk rustige periode tot 1717 geeft Marot zijn beroemde livres uit, boeken met ontwerpen die een afspiegeling zijn van het vorstelijke leven in die tijd. Op basis van de tientallen gravures van interieurstukken, huizen, sierbogen voor feestelijke optochten, theaterdecors, tuinornamenten en fontijnen wordt Marot bekend als de vertegenwoordiger van de Lodewijk XIV-stijl hier.

Zoveel als Marot heeft nagelaten op architectonisch gebied, zo weinig is er persoonlijk van hem bekend. De enkele brieven die bewaard zijn gebleven, zijn zakelijke brieven, gericht aan opdrachtgevers, die op eerbiedige toon handelen over kosten en voortgang van bouwkundige projecten. Zijn huwelijk met Catharina was, gelet op het grote aantal kinderen, misschien niet slecht, maar tijdgenoten beschrijven Marots vrouw als een feeks die haar man krijsend het leven zuur maakte.

Van vriendschappelijke contacten tussen Marot en andere hugenoten, die in de Nederlanden een hechte gemeenschap vormden, is niets bekend. Over de indruk die ons land op Marot maakte, over de vraag of Marot zich hier thuisvoelde of misschien ooit naar zijn vroegere vaderland hunkerde, valt dan ook alleen te speculeren. Afgaand op het geslaagde verloop van zijn carrière, had hij aan aandacht en luxe geen gebrek. Marot was hier makkelijk ingeburgerd, dank zij de verfranste cultuur aan het hof, maar ook door zijn eigen bliksemsnelle aanpassingsvermogen. Toen Marot hier in Holland arriveerde, was hij zo goed als onervaren op het gebied van graveer- en interieurkunst. De kunst van het ontwerpen moest hij zich in de praktijk, als een acteur op een podium, eigenmaken.

Een terugkeer naar Frankrijk was vanuit politiek, "hugenoten'standpunt niet realistisch, zeker niet na de Vrede van Rijswijk (1689) toen Willem met Lodewijk vrede sloot. Maar ook vanuit artistiek oogpunt hoefde Marot niet op een welkome ontvangst in Parijs te rekenen. In Frankrijk had de (binnenhuis)architectuur zich geleidelijk aan losgeweekt van de italianiserende, barokke gezwollenheid en zich ontwikkeld tot de verfijning en lichtvoetigheid van de Rococo. Marot hield zich van deze tendens afzijdig en liet zich niet meer inspireren tot het nieuwe.