Cultuur van Slovenen in Italië begint oudbakken trekjes te vertonen; Een volk van koren in een land van tenoren

De Slovenen stammen af van de Slaven die in de zevende en achtste eeuw een gebied bezetten dat drie keer zo groot was als de huidige Joegoslavische deelrepubliek Slovenië. Na de Eerste Wereldoorlog kwam eenderde van dat gebied bij Italië en de Italiaanse Slovenen hebben het nooit makkelijk gehad. Pas lang na de Tweede Wereldoorlog werden ze met rust gelaten - om uit te sterven. De Sloveense jeugd is liever Italiaans. “Ons probleem is dat we niet het zelfvertrouwen hebben van het volk van Dante en Machiavelli.” Deel vijf van een serie over minderheden in de wereld.

Dobrodosli - benvenuti staat er met groene letters op het vaal-gele spandoek dat over de weg hangt. In twee talen worden de bezoekers welkom geheten op de sagra, het jaarlijkse dorpsfeest, van Prosecco, een dorpje bij Triëst in het wormvormige aanhangsel van Italië tussen Joegoslavië en de Adriatische Zee.

Het "benvenuti' is meer voor de vorm. Aan de lange houten tafels op het grasveld waar cevap hacek cici en raznihacek ci wordt gegeten, praat bijna iedereen Sloveens. Italianen hebben hier weinig te zoeken: Prosecco is een van de dorpen in het noordoosten van Italië met een Sloveense meerderheid, en de sagra hier is dan ook een gelegenheid om zich ongestoord te wentelen in de eigen cultuur.

Vandaar het geroosterde vlees, vandaar het bandje met zijn afschuwelijk opgewekte een-twee-hup-muziek. De pret is afgemeten: het bandje speelt precies een half uur, neemt dan op de minuut af een kwartier pauze, en daarna gaat het veel te dikke zangeresje verder met haar vrolijke liedjes, opnieuw precies een half uur.

Ook op de dansvloer ingehouden plezier. De vijftigers en zestigers die meteen zijn opgestaan toen de polka's, mazurka's en walsen begonnen, kijken ernstig onder het dansen. Alleen uit hun bewegingen blijkt dat ze het leuk vinden.

De jongeren die in een paar hoekjes bij elkaar schuilen, kijken het zonder veel enthousiasme aan. Zij praten ook Sloveens, maar dit is niet hun cultuur. Na een plastic bordje met frites en vlees gaan ze liever naar een ander dorpsfeest een paar kilometer verder, met Italiaanse muziek: misschien wat chaotischer, maar ook uitbundiger en meer in de stijl waarin ze zijn opgegroeid.

Het tekent het dilemma van de Sloveense minderheid in de Italiaanse regio Friuli-Venezia Giulia. Met ruim 50.000 tot tegen de 100.000 man (volgens de Slovenen zijn zij met meer dan Italië wil toegeven) vormen zij maximaal acht procent van de bevolking van de regio. Door die defensieve instelling en het beperkte aantal begint de Sloveense cultuur in Italië oudbakken trekjes te vertonen. Er is weinig vers "onbesmet' bloed.

De jongeren groeien op in een Italiaanse sfeer en voor hen is de huidige grens een gegeven, geen willekeur van de geschiedenis. Zij hebben niet, net als hun ouders en voorouders, gevochten voor andere grenzen, in een groter Slovenië gewoond of gedroomd van Zedinjena Slovenija - een verenigd Slovenië. Onder de Slovenen aan de andere kant, in Joegoslavië, zijn wel veel familieleden, maar die wonen in een andere wereld.

De Slovenen stammen af van de Slaven die in de zevende en achtste eeuw een gebied bezetten dat drie keer zo groot is als het huidige Slovenië in Joegoslavië (zonder het schiereiland Istrië) en dat zich uitstrekte tot en met Wenen en Linz. Meer dan tien eeuwen lang hebben de Slovenen in de anonimiteit geleefd: het waren voornamelijk boeren, werkend voor de Duitse adel.

Napoleon gaf het Sloveense nationalisme en zelfbewustzijn een belangrijke impuls door na zijn overwinning op Oostenrijk in 1809 de Illyrische provincies in het leven te roepen, met Ljubljana als hoofdstad, om Oostenrijk van de Adriatische zee af te snijden. Toen het gebied een paar jaar later weer bij Oostenrijk kwam, leek de droom van een verenigd Slovenië binnen het Habsburgse rijk te realiseren.

De Eerste Wereldoorlog maakte een einde aan die droom. Eenderde van het gebied dat door Slovenen werd bewoond, kwam bij Italië, een deel kwam bij het nieuwe koninkrijk van Serviërs, Kroaten en Slovenen (het huidige Joegoslavië), en de Slovenen in Zuid-Karinthië kozen ervoor bij Oostenrijk te blijven.

Door het succes van Tito's partizanen schoof de grens van Joegoslavië na de Tweede Wereldoorlog een heel eind naar het westen op. Als de grens nog twintig kilometer verder westelijk was komen te liggen, had Italië geen Sloveense minderheid meer gehad. De dorpen waar Sloveens wordt gesproken, een slavische taal, liggen alle dicht tegen de grens met Joegoslavië aan.

Op veel plaatsen en in veel gesprekken leeft deze oorlog nog, maar nergens is zij zo zichtbaar als in Gorizia. Nu de muur van Berlijn is afgebroken, is dit de laatste verscheurde stad van Europa. Dwars door de stad loopt een hek dat Gorizia van Nova Gorica scheidt. De kentekenplaten van de auto's beginnen in beide delen van de stad met "GO', maar in het Joegoslavische gedeelte staat er een rode ster achter.

Het hek is net anderhalve meter hoog, en wie dat zou willen kan er makkelijk ongezien overheen. Dat is niet nodig, want de inwoners van de twee steden hebben alleen een identiteitsbewijs nodig om naar de andere kant te gaan: de Italianen om te tanken en voor het casino, de Joegoslaven voor spijkerbroeken, huishoudelijke apparaten of andere Westerse vruchten die in eigen land duurder zijn.

Het hek is een symbool voor de scheiding die de Tweede Wereldoorlog heeft veroorzaakt tussen de Italiaanse en de Joegoslavische Slovenen. “Aan de overkant lopen ze dertig jaar achter”, zegt een Italiaanse buschauffeur die op twee meter van het hek, in de schaduw van een naaldboom, even zit uit te rusten.

Hij wijst naar het station, waar de rode ster van af is gehaald die er vorig jaar nog op zat. Dat is na de onafhankelijkheidsverklaring van Slovenië gebeurd. De gevechten daarna hebben onder de ouderen in Gorizia herinneringen opgeroepen aan de oorlog: pantserwagens in de wegen rondom de stad, luchtalarm, regelmatig geweerschoten.

Dat hek tussen de Slovenen van de ene en de andere kant symboliseert de gescheiden wegen die de twee groepen na de oorlog zijn gegaan. Daarom hebben veel Italiaanse Slovenen hun bedenkingen bij de eisen van de Slovenen in Joegoslavië.

De strijd aan de andere kant van de grens heeft weinig zichtbare weerslag in de Sloveense dorpen in Italië. Op een rit van bijna drie uur vanaf Gorizia richting Triëst, langs de uitlopers van het Karstgebergte, was slechts één spandoek te zien, tweetalig: “Solidariteit met de Slovenen”.“Wij zijn bang voor een tragedie”, zegt Suadam Kapic, voorzitter van de afdeling Triëst van de Sloveense economische en culturele unie. “De Slovenen hier hebben onder het fascisme slechte ervaringen gehad met nationalistische gevoelens. Als het nationalisme demagogie wordt, valse romantiek, dan komt de botsing dichterbij. Daarom zijn wij bang voor mensen die schreeuwen: wij zijn Slovenen, Kroaten of Serviërs. Het zou daar langzamer moeten gaan. Allebei de kanten hebben overdreven. Slovenië is te klein om zelf een staat te vormen.”

Bovendien is het voor veel Italiaanse Slovenen moeilijk te verteren dat de Slovenen aan de andere kant niets meer willen weten van Joegoslavië. “Veel mensen hier hebben in 1943 de kant van de partizanen gekozen, ze hebben gevochten voor Joegoslavië”, zegt de Sloveense dichter Boris Pangerc. “De herinnering aan de glorieuze strijd voor Joegoslavië leeft nog sterk. De Slovenen hier hebben niet de geleidelijke verwijdering van Belgrado aan den lijve ondervonden. Daarom is het voor velen een trauma wat er nu aan de andere kant gebeurt.”

De oorlog is in dit bergachtige gebied vol kerkhoven voor niemand voltooid verleden tijd. De littekens van het verleden zijn zichtbaar in het dorpje Basovizza, ten noorden van Triëst, op een paar kilometer van de grens met Joegoslavië. Het eerste gedenkteken hier is een simpele obelisk met daarop vier namen: Ferdo Bidovec, Fran Marusic, Zvonimir Milos, Alojz Valencic.

Voor de Slovenen zijn dit de vier helden van Basovizza; Slovenen die voor het vuurpeloton slachtoffer zijn geworden van de vervolging onder het fascisme. Nog voor Mussolini in Rome de macht greep, begonnen de plaatselijke fascisten een terreurcampagne tegen de Slovenen. In 1920 werd de Narodni dom in Triëst, het culturele centrum van de Slovenen, in brand gestoken. Dit was het startsein voor een steeds feller wordende Italianiseringscampagne. Andere culturele centra werden vernietigd, het onderwijs in het Sloveens werd afgeschaft, en Sloveense militanten werden vervolgd. De Sloveense gemeenschap is in die tijd aanzienlijk uitgedund, omdat veel Slovenen, vooral de beter opgeleiden, naar elders zijn gevlucht.

Duizenden Sloveense achternamen zijn in die tijd verbasterd. Soms moesten ook op de grafzerken de namen worden veranderd. Zerial werd Zeriali, Kocijanic werd Canciani, Milic werd Milani of Milini of Milich, al naar gelang de fantasie van de plaatselijke ambtenaar. Zo kon het gebeuren dat drie broers verschillende achternamen kregen omdat ze in verschillende dorpen woonden.

De anti-Sloveense campagne onder het fascisme heeft diepe wonden geslagen in de Sloveense gemeenschap, wonden die bij niet iedereen zijn geheeld. Maar ook de Italianen hebben hun littekens. Iets buiten Basovizza, op een verlaten stukje hoogvlakte waar de stilte van de Waalsdorper vlakte op 4 mei hangt, met dezelfde vogels, ligt een grote platte steen over een diepe, niet meer zichtbare spleet. Hier is een van de grootste foibes (spleten, spelonken) in het aan grotten rijke Karst-gebergte. Volgens een stenen plaat liggen in de 300 meter diepe spleet behalve kanonnen en munitie uit de twee wereldoorlogen ook duizenden lijken; driehonderd kubieke meter stoffelijke resten. Een gedenksteen uit 1987 herinnert aan de "holocaust' tegen Italianen door de Joegoslavische partizanen.

In de Tweede Wereldoorlog kozen veel Slovenen de kant van Tito's partizanen om tegen het gehate fascisme te vechten, voor de eigen cultuur, de eigen taal, het eigen volk. Toen de Joegoslavische troepen op 1 mei 1945 Triëst en Gorizia innamen, sloeg het uur van de wraak. Tientallen, honderden, duizenden mensen, al naar gelang de bron, werden doodgeschoten en zonder ceremonieel in een foibe gedumpt. Het ging om collaboratoren, fascisten, maar ook, zoals de Slovenen de afgelopen jaren aarzelend zijn gaan toegeven, om onschuldige burgers.

De cijfer-oorlog hierover duurt nog steeds voort. Italiaanse bronnen zeggen dat er 4.500 Italianen in de foibe van Basovizza liggen. De Slovenen zeggen dat die aantallen grotelijks zijn overdreven en dat er zeker 600 Duitse soldaten zijn begraven. In een poging een einde te maken aan de polemieken is twee jaar geleden geopperd de foibe van Basovizza opnieuw te openen, maar dat idee is snel verworpen als een onfris voorstel.

De Italiaanse Slovenen werden in de jaren na de Tweede Wereldoorlog bejegend met veel wantrouwen en soms regelrechte haat, vooral door de Italianen die uit Istrië waren gevlucht, het nu Joegoslavische schiereiland dat tussen de wereldoorlogen bij Italië had behoord. “Het was een erg moeilijke tijd”, zegt Suadam Kapic. “Zeker tot de helft van de jaren zestig hebben we erg in de verdrukking gezeten en kon je als Sloveen beter aan de andere kant wonen dan hier.” Het geschil over de status van Triëst, dat pas in 1954 werd opgelost, veroorzaakte veel spanningen. Verder draalde Italië met de uitvoering van de beloofde maatregelen om de rechten van de Sloveense minderheid te garanderen. Pas in 1975 ondertekenden Italië en Joegoslavië het definitieve akkoord hierover, waarin ook de huidige grenzen officieel werden aanvaard.

“We hebben ons steeds moeten verdedigen, steeds onszelf moeten herbevestigen”, zegt Pangerc. Na 1975 kwamen daar de nieuwe aanvallen bij van de Lista per la Trieste, de Lijst voor Triëst. Dit was een protestpartij van Italianen die zich keerde tegen de Sloveense minderheid en Triëst vrij wilde houden van Sloveense invloeden.

De Lista kreeg al snel dertig procent van de kiezers achter zich, en op de muren verschenen anti-Sloveense slogans. Maar zij speelt nu nauwelijks een rol meer. Andere Italiaanse politieke partijen hebben politici van de Lista in hun gelederen opgenomen en besteden meer aandacht aan de nationalistische gevoelens van een deel van de kiezers.

Verzet tegen de Sloveense scholen bestaat er niet, maar de Italiaanse staat vertoont geen enkele neiging om die uit te breiden en bijvoorbeeld mee te betalen aan de nu particuliere Sloveense school in de provincie Udine, wat verder van de grens. Slechts een paar dorpen zijn officieel tweetalig.

San Dorligo della Valle, of Dolina, zoals de Sloveense meerderheid hun tegen de bergen geplakte dorp noemen, is één daarvan. De 54-jarige Marino Pecenik, wiens voornaam nog laat zien dat hij is geboren onder het fascisme, is vorig jaar gekozen tot burgemeester, een van de weinige Sloveense burgemeesters. “Hier zijn wij in de meerderheid en moeten de Italianen zich aanpassen”, zegt hij. Tweederde van de 6.200 inwoners is Sloveens. De vergaderingen van de gemeenteraad worden in het Sloveens gehouden, hoewel er niemand is die niet goed Italiaans praat. De Italiaanse raadsleden moeten zich behelpen met de vertalers die achter glas de debatten volgen.

In de dorpen en steden waar de Slovenen in de minderheid zijn, zijn er geen tolken bij de gemeenteraad. Triëst bijvoorbeeld, waar in absolute aantallen de meeste Italiaanse Slovenen wonen, is geen tweetalige stad. Bij de politie, de post, de rechtbank, de gemeente kun je alleen met Italiaans terecht.

Voor vrijwel geen enkele Sloveen is dat een praktisch probleem, omdat bijna iedereen tweetalig is. Maar de Slovenen vechten voor het recht om hun eigen taal te gebruiken, om het belangrijkste bindmiddel van hun eigen identiteit in stand te houden.

Voorop in deze kruistocht loopt Samo Pahor, waarschijnlijk de Sloveen met het dikste dossier op het politiebureau. Pahor, een gezette leraar Sloveens aan een Sloveense kweekschool, zorgt met de regelmaat van de klok voor incidenten.

Met een tas vol documenten komt hij naar het vraaggesprek, een chronologisch verslag van zijn strijd voor het Sloveens. In januari van dit jaar moest hij door drie agenten worden weggesleept van het postkantoor omdat hij niet weg wilde gaan voordat zijn belastingaangifte was aanvaard - de ambtenaar achter het loket weigerde die omdat hij de getallen in het Sloveens had geschreven.

Pahor, een van de weinige Italiaanse Slovenen die zijn geboren in Joegoslavië, heeft hierna zes dagen gevangen gezeten, vertelt een dreigbrief te hebben gekregen in de cel en zegt dat hij begin juli per post een kogel kreeg opgestuurd. “Maar ik laat me niet tegenhouden”, zegt hij. “De Italiaanse staat moet nu eindelijk onze rechten erkennen zoals ze dat al in 1954 heeft beloofd.”

“Pahor overdrijft, maar hij heeft wel gelijk als hij zegt dat we onze taal moeten verdedigen,” zegt Suadam Kapic. “Als je niet je eigen taal kan gebruiken tegenover de staat, wil dat zeggen dat je niet wordt aanvaard. Wij willen onze waardigheid terug.”

Eigen kranten en weekbladen hebben de Slovenen wel, een tiental, maar de oplage daarvan is niet groter dan maximaal een paar duizend en ze kunnen nauwelijks het hoofd boven water houden. Er is een eigen radio, onderdeel van de Italiaanse RAI, maar voor Sloveens op de tv moeten ze hun antennes op Joegoslavië richten: op het lokale derde net van de RAI wordt geen Sloveens gesproken.

De staat betaalt ook mee aan de Sloveense theatergroep, maar het netwerk van culturele en sportieve associaties moet zichzelf bedruipen. Verder heeft vrijwel ieder dorp een koor. “De Slovenen hebben een aangeboren noodzaak om te zingen, om samen te zijn”, zegt Pangerc, die zelf in een bekend octet zingt. “Wij zijn in het algemeen veel minder individualistisch dan Italianen. De Slovenen zijn een volk van koren, de Italianen van tenoren.”

“Politieke en economische macht hebben we niet”, zegt hij. De Sloveense Unie is een kleine partij die alleen aan het conservatieve liberale en katholieke deel van de Slovenen appeleert. De links-georiënteerde Slovenen, een veel grotere groep, kunnen terecht bij de Italiaanse partijen. Er zijn zes Sloveense banken in Triëst, maar die vallen in het niet bij hun Italiaanse concurrenten.

Daarom hechten de Slovenen zo aan hun koren, hun rolhockeyclubs, hun culturele associaties. “We moeten duidelijk aanwezig zijn als minderheid”, zegt Pangerc. “Er bestaat een constante angst voor assimilatie. We moeten onze trots hervinden en naar buiten treden met wat we cultureel te bieden hebben. Maar ons probleem is dat we niet het zelfvertrouwen hebben van het volk van Dante en Machiavelli.”

De Sloveense cultuur, met zijn mengeling van Duitse degelijkheid en ernst en Slavische melancholie die wordt getemperd door de Italiaanse zon (ook Pangerc dicht veel over de zon en het strand en de zee) moet een beter plaatsje krijgen, zegt hij. Makkelijk gaat dat niet. Pangerc vertelt dat er bijvoorbeeld nog nooit een Sloveens koor is opgetreden op de muzikale avonden die iedere maandag in Triëst worden georganiseerd. “Veel Italianen zijn bang dat de Sloveense cultuur de Italiaanse cultuur besmet”, zegt Pangerc. “Maar Triëst is ook onze stad.”

Foto's: Tweetalige straatnamen in San Dorligo della Valle, of Dolina. (Foto's Marc Leijendekker)

Marino Pecenik, een van de weinige Sloveense burgemeesters in Italië.