BENAZIR BHUTTO, PAKISTANS DESILLUSIE

Waiting for Allah door Christina Lamb 305 blz., Hamish Hamilton 1991, f 65,-. ISBN 0 241 13055 7

Toen Benazir Bhutto in december 1988 werd geïnstalleerd als eerste vrouwelijke premier van een islamitisch land ter wereld, hielden miljoenen Pakistani de adem in. De rijken en machtigen onder hen omdat zij moeilijke tijden voorzagen; de armen en rechtelozen omdat zij hoopten op verlossing uit ellende en rampspoed.

Binnen twee jaar was Bhutto afgezet door dezelfde militairen die haar met tegenzin aan de macht hadden laten komen na de gewonnen verkiezingen van november 1988, en moest zij zich voor de rechtbank verdedigen tegen de beschuldiging van corruptie en nepotisme. De "vested interests' haalden opgelucht adem. Maar ook de verpauperde massa's zagen Bhutto zonder veel spijt vertrekken. Haar regeerperiode had hun weinig of geen verbetering gebracht, en de maatschappelijke verhoudingen in Pakistan waren even gewelddadig en feodaal gebleven als voorheen.

In haar boek Waiting for Allah legt Christina Lamb uit dat eigenlijk ook niets anders kon worden verwacht, en dat er voorlopig ook erg weinig kans is op verbetering. De oorzaak ligt volgens Lamb in de ontstaansgeschiedenis van het land. Pakistan was een "bijprodukt' van de Indiase vrijheidsstrijd. Jinnah's "thuisland voor moslems' was niet het resultaat van een lange ideologische strijd door een politieke beweging die werd gedragen door brede lagen van het volk, zoals de Congrespartij dat wèl was, maar een kunstmatige constructie, die was bedacht door een landbezittende elite die op deze manier haar voorrechten probeerde veilig te stellen. Daartoe sloten de feodale landheren een bondgenootschap met de conservatieve islamitische geestelijkheid.

Lamb citeert de historicus M. J. Akbar, die schreef: ""Het is duidelijk hoe het verbond van landheren en geestelijkheid Pakistan opdeelde. Terwijl de landheren en kapitalisten de geestelijkheid toestonden van Pakistan een religieuze staat te maken, gunde de geestelijkheid de landheren gegarandeerde eigendomsrechten en de kapitalisten onbeperkte controle over de economie. Theocratie en landlordism-capitalism zijn de twee zuilen van Pakistan.''

Zo is het sinds 1947 gebleven, ongeacht wie er regeerde in Islamabad, een generaal of een civiele politicus. De werkelijke macht in Pakistan bleef in handen van wat Lamb noemt de "civiel-militaire bureaucratie' van met de landheren verbonden civiele ambtenaren en veelal streng religieuze hoofdofficieren. ""De echte macht in Pakistan spruit voort uit het aantal mensen dat men kan bevelen, en uit de hoeveelheid patronage die men tot zijn beschikking heeft. De politici mogen dan wel patronage uitdelen, maar zij hebben de bureaucratie nodig om die voor hen te regelen.''

PATRONAGE

Onder deze omstandigheden is het onmogelijk een democratisch proces op gang te brengen waarbij sprake is van vrij door het volk gekozen vertegenwoordigers die onafhankelijk van de elite de Pakistaanse politiek naar hun hand kunnen zetten. Ook Bhutto's PPP is daar nooit in geslaagd, gesteld al dat zij dat werkelijk gewild zou hebben. Pakistan is een land van "superpatronage and bloc votes': van de 237 parlementsleden die werden gekozen bij de verkiezingen van 1988, waren er 230 "major landlords or tribal chiefs'. Die cijfers liggen bij de PPP niet gunstiger dan bij de andere partijen; in hetzelfde jaar waren 93 van de 115 PPP-kandidaten in de Punjab "feodale figuren'. Er was overigens nauwelijks iets anders te verwachten bij een partij, geleid door een vrouw die in de woorden van Lamb werd ""opgevoed als een feodale prinses, omgeven door bedienden, die het grootste deel van haar leven in het buitenland doorbracht en misschien de problemen van het land niet eens kende''.

Pakistans identiteitsproblemen begonnen in 1947 bij de Partition, de opsplitsing van India in twee staten, één seculiere voor hindoes, moslems en alle anderen, en één islamitische voor de moslems. Mohammed Ali Jinnah, de agnostische, bier en wijn drinkende advocaat uit Bombay, ""zag in de slogans van de mullah's de goede weg om zowel zijn eigen toekomst als die van de moslemse landbezittende elite veilig te stellen'', schrijft Lamb. Pinnig voegt ze eraan toe dat Jinnah met zijn voorkeur voor alcohol en hamsandwiches vandaag de dag krachtens de strenge islamitische wetten die nu in Pakistan gelden, zou moeten worden gegeseld.

De Islam is in Pakistan door alle machthebbers gebruikt als een middel om hun eigen positie te verzekeren of te versterken. Jinnah voorzag nog een soort seculiere staat voor mensen van het islamitische geloof, wàt voor een paradoxaal onding dat ook wezen mag. Alle machthebbers na hem hebben geleidelijk de positie van de islam als een overal aanwezige straffende Grote Broer versterkt. De nadruk kwam daarbij steeds meer te liggen op ""de strafrechtelijke kant van de islam, met wrede wetten die discrimineren tegen vrouwen en minderheden, in plaats van op het mededogende karakter van de Koran'', schrijft Lamb. De verpauperde Pakistaanse boeren bleven inmiddels even arm en ongeletterd omdat hun ontwikkeling niet in het belang van de landheren is. Zij zinken weg in ziekte en apathie, of geven zich over aan misdaad of godsdienst, en blijven wanhopig op Allah wachten.

Lambs analyse van het Pakistaanse dilemma is niet nieuw, maar wel aannemelijk en verpakt in een vloeiende verhaaltrant. Maar zij vertoont een zwak punt. Als de verbintenis tussen politici, geestelijkheid en landbezitters verantwoordelijk is voor het uitblijven van een enigszins functionerende participatie-democratie in Pakistan, waarom is het dan in India anders gelopen? Daar immers is de Congrespartij van oudsher een bondgenootschap van brahmins en rijke landheren geweest, en ook in de meeste andere partijen - inclusief de communistische - waren het steeds de hoge kasten die de toon aangaven.

LANDBEZIT

Toch waren de lagere kasten en niet-landbezittende klassen in het parlement van India altijd veel beter vertegenwoordigd. Van 1970 tot 1990 (Lamb meldt het zelf ook) had tachtig procent van de parlementsleden in Pakistan een landbezit van honderd of meer acres, terwijl in het Indiase Lagerhuis hetzelfde percentage helemaal geen land of minder dan vijftig acres bezat. Ook heeft het Indiase leger zich nooit met de politiek bemoeid, en dat is een zegen die niet voldoende kan worden bejubeld.

Het zou interessant geweest zijn eens uit te zoeken waarom een vergelijkbare uitgangspositie met ongeveer dezelfde maatschappelijke verhoudingen in de twee landen tot volstrekt verschillende politieke culturen heeft geleid. Lamb is daar niet aan toe gekomen, maar dat valt haar ook nauwelijks te verwijten. Zij verbleef als correspondente van de Financial Times anderhalf jaar lang in Pakistan, en maakte de nadagen van het bewind van generaal Zia-ul-Haq en het grootste deel van Benazir Bhutto's regeerperiode mee. En zij zat bepaald niet stil.

Niet alleen sprak zij met vrijwel alle belangrijke generaals en politici, maar ook bezocht zij feodale landheren in hun luisterrijke paleizen. Zij sprak met drugsbaronnen, roverhoofden en stamleiders, en zij maakte in rustieke vermomming diverse uitstapjes naar de tribale Pashtun-gebieden in zowel Pakistan als Afghanistan. Al die reizen hebben een schat aan anekdotes opgeleverd, die zij kwistig door het boek heen heeft gestrooid. Helaas belemmert dat hier en daar de overzichtelijkheid behoorlijk. Overdaad schaadt, en bijwijlen kan men door de bomen het bos niet meer zien. De index met meer dan vijfhonderd namen is dan ook een uitkomst vooor lezers zonder een ijzeren geheugen, die zich nu en dan vertwijfeld kunnen afvragen over wie het in Allah's naam nu weer gaat.

Maar over het algemeen is Waiting for Allah leesbaar en onderhoudend. Christina Lamb is pas vijfentwintig, en ze heeft voor zo'n jong persoon een bewonderenswaardig erudiet en rijp boek afgeleverd. Tegenwoordig is ze correspondente in Brazilië. We zullen nog wel meer van haar horen.